De Kroniek van het Eerste Bataljon Jagers OVW 1945-1948.

Vuuroverval op Paroeng

foto Onderstaande verhalen zijn door Lourens Jan Somer geschreven voor de boven genoemde Kroniek

Paroeng was geen grote kampong. Maar het was een strategisch punt in de driehoek Serpong-Tjiseëng-Tjimanggis, bij een kruispunt van wegen. Bovendien was het gebied buitengewoon onveilig; er waren veel extremisten, die vanuit deze omgeving Tjibinong, Depok en andere steunpunten zouden kunnen bedreigen.

Op 14 mei 1946 werd Paroeng door onze tweede compagnie genomen en vier dagen later werd Tjiseëng door deze compagnie bezet. Twee pelotons bleven in Tjiseëng, mijn peloton hield het bivak in Paroeng in handen. We hadden een stenen huis op ongeveer driehonderd meter van de pasar, die aan het kruispunt lag, betrokken, struikgewas en lage bomen weggehakt, bunkers voor de wachtposten gemaakt en het geheel omringd met prikkeldraad. Je kon er namelijk donder op zeggen, zoals bij iedere bezetting van een nieuwe post, dat je 's avonds of 's nachts aangevallen zou worden. Zeker in dit gebied.

Een stelregel, ons ingeprent door ervaren KNIL-officieren, was om na een bezetting zo snel mogelijk patrouille te gaan lopen op de meest onverwachte momenten. Dat was niet zo bevorderlijk voor de gemoedsrust van onze tegenstanders.

In de avond van 24 mei 1946 hadden verschillende voorvallen plaats, die allemaal in Paroeng hun ontknoping vonden: - de bataljonscommandant en enkele officieren, onder wie luitenant Zonneveld en de veldprediker, dominee Everts, keerden na een etentje bij kapitein Crabbendam in Tjiseëng naar Depok terug, waarbij zij het kruispunt in Paroeng moesten passeren; - ik was met een sectie van mijn peloton op patrouille gegaan in de omgeving van Paroeng. Het was die avond stikdonker; - twee secties van mijn peloton bleven in het bivak Paroeng achter, onder commando van sergeant Vegt; - toen mijn patrouille zich ongeveer een kilometer van het bivak verwijderd had, werd de post aangevallen door een groot aantal TRI-strijders (naar schatting honderd man); - sergeant Vegt meldde de aanval aan de post Tjiseëng en vroeg om versterking, waarop een peloton, onder commando van kapitein Crabbendam en de luitenants Clements en Van Beek, met twee weaponcarriers vanuit Tjiseëng op weg ging naar Paroeng om assistentie te verlenen.

De bataljonscommandant en de reeds genoemde officieren, met de jeep op de thuisreis en groot licht op, bereikten het kruispunt Paroeng juist op het moment, dat de aanval werd ingezet. Vanaf de pasar werden zij onder vuur genomen. Beseffend dat zij, slechts gewapend met een revolver, weinig in te brengen hadden, reden zij verder naar Depok, niet wetend, dat zij zich temidden van elkaar heftig bestrijdende partijen bevonden. Als door een wonder bleven zij ongedeerd.

Mijn patrouille, op enige afstand van het bivak, hoorde de eerste schoten vallen. Nu was ik al op weg gegaan met het voorgevoel van 'er gaat wat mis vanavond'. Ik was dan ook eigenlijk niet eens verrast, dat ik eerst een enkel geweerschot hoorde en daarna mitrailleurvuur. Mijn eerste gedachte was: 'daar heb je het gedonder in de glazen'.

Ik liet de patrouille halt houden en zei: 'jongens, onmiddellijk terug, Paroeng wordt aangevallen'. Zo snel we konden, maar de voorzichtigheid niet uit het oog verliezend, keerden we terug.

Nadat de melding in Tjiseëng was ontvangen en kapitein Crabbendam vernomen had, dat aan sergeant Vegt slechts een twintigtal mannen ter beschikking stond om het bivak te verdedigen, riep hij een peloton van zijn compagnie en de luitenants Clements en Van Beek op om zich onmiddellijk gereed te maken en het bivak Paroeng te ontzetten. Met twee weaponcarriers haastte dit peloton zich naar Paroeng.

foto De eerste weaponcarrier, die op het kruispunt Paroeng kwam, werd hevig onder vuur genomen. Vanuit de huisjes bij de pasar en zelfs vanuit de bomen werd geschoten met geweren en mitrailleurs. Kapitein Crabbendam, die naast de chauffeur zat en Wim van Meerwijck, achter in de bak, werden getroffen. Het liet zich ernstig aanzien.

Toen mijn patrouille bij het bivak arriveerde, werd er nog in alle heftigheid gevuurd. Ik zocht de minst gevaarlijke plaats op en loodste de mannen, gelukkig ongedeerd, het bivak binnen. Bij onze aankomst bleek, dat men kapitein Crabbendam, die een schotwond in de knie had, reeds had opgehaald. Wim van Meerwijck lag echter nog op het kruispunt. Hij was ook geraakt en waarschijnlijk zwaar gewond.

Om het risico van nog meer slachtoffers zo laag mogelijk te houden, ging ik met een kleine patrouille - onder wie de jeep-chauffeur Ottenheym en twee vrijwilligers - in een weaponcarrier, waarin we zoveel mogelijk dekking zochten, naar het kruispunt om Wim op te halen. Toen we aankwamen zag ik, dat hij waarschijnlijk al dood was. We legden zijn lichaam op de weaponcarrier en reden in razende vaart terug naar ons bivak. Zowel op de heen- als de terugweg werden we beschoten en tijdens ons korte oponthoud op het kruispunt ontploften er nog een paar handgranaten om ons heen.

We weerstonden de aanval op Paroeng, waarbij Jager Boenders nog een schot in de voet opliep. Verder waren er geen slachtoffers.

Daags na de aanval arriveerde 's avonds een compagnie Ambonezen van Infanterie II, onder commando van de luitenant Jan van der Slikke. Zij maakten er met gitaar muziek bij een kampvuur een romantische avond van, die ik nooit zal vergeten.

De volgende dag trokken deze mannen er op uit voor een zuiveringsactie in het gebied ten zuiden van Paroeng. Dit soort 'klussen' kon je aan onze Ambonese wapenbroeders wel toevertrouwen.

Voortrekkers

Op 3 oktober 1946 kreeg ik van onze bataljonscommandant, majoor Den Ouden, de opdracht de volgende morgen met twee secties (samen te stellen uit vrijwilligers van de tweede compagnie) per vliegtuig naar Padang te vertrekken. Daar zou ik dan nadere instructies ontvangen van de Plaatselijke Militaire Commandant, kapitein Klaui van het KNIL.

Frans Bodt verstrekte mij een lijst van de mee te nemen bewapening en verdere uitrustingsstukken. Het kostte mij geen enkele moeite voldoende vrijwilligers voor de uitvoering van deze opdracht te vinden. Voor hen betekende dit een nieuwe uitdaging.

En zo steeg in de prille ochtenduren van de vierde oktober 1946 een Dakota van het vliegveld Kemajoran op met 21 Jagers aan boord; bestemming Padang.

Voor nagenoeg allen betekende dit de vliegdoop. Voordat zij eigenlijk goed en wel van de eerste sensatie van starten en opstijgen bekomen waren, lag Batavia al enige honderden meters beneden hen. Opgewonden uitroepen getuigden van herkenning van verschillende bekende punten, waartoe 'Shanghai' en 'La Conga' ook schenen te behoren. het was een afscheid 'uit de hoogte' van de stad, waar door hen menig verlof uur werd doorgebracht, waar meer of minder intieme vriendschapsbanden waren aangeknoopt; Batavia aan de veiligstelling waarvan ook deze Jagers hadden meegewerkt. Hun pacificatie taak in het gebied ten zuiden van de stad was geëindigd. Alléén de herinnering aan de maanden, die zij daar hadden doorgebracht, zou blijven. Tijd om bij deze herinnering te blijven stilstaan, hadden zij echter voorlopig niet. Daarvoor was de reis te interessant.

foto Al spoedig tekende de lage lijn van Sumatra's zuid oostkust zich af en boeide het daarachter liggende laagland hun aandacht. Sawahs, als groezelig groen gele lappen, uitgestrekte wouden als boerenkool velden, en daar tussendoor kali's, die als kronkelende lichte linten het landschap markeerden. Hier en daar een kampong als enig teken, dat in deze uitgestrektheid mensen woonden. Dit beeld veranderde echter snel, toen het toestel - vrij onverwachts - boven Palembang kwam. Laag vliegend en met scherpe bochten draaide de piloot een extra rondje boven de stad. Door deze attentie deed hij op zijn manier de Jagers het gevoel voor evenwicht verliezen. De wetten der zwaartekracht schenen een ogenblik niet meer te gelden.

Na een korte tussenlanding op het vliegveld ten noorden van de stad, werd de reis voortgezet. Al spoedig zat het vliegtuig boven de wolken, zo hoog, dat een enkele Jager zelfs kippevel kreeg - van de koude dan ! En allen hadden last van oorsuizingen. Als een tapijt van enorme donzige watten lag daar beneden hen het wolkendek. Van dit gehele tafereel ging een serene rust uit. Alleen het geraas der motoren verstoorde op ruwe wijze deze grote stilte der hogere sferen. De aarde scheen onwezenlijk ver weg, maar, als om het tegendeel te bewijzen, boorde ergens de top van een vulkaan zich door het wolkendek heen. In deze simpele, maar trotse bergtop manifesteerde zich even de grootsheid van Sumatra's berglandschap.

Maar ook aan deze etappe van de reis kwam een einde. Langzaam dalend werd het einddoel bereikt: Padang, in zonneschittering tussen het donkergroen van de kuststrook, met op de achtergrond de wazigblauwe bergen en - als volkomen harmonieuze afsluiting van dit prachtige tropenbeeld - aan de andere kant de blinkend grijs-groene zee....

Even later was de eerste groep Jagers op Sumatra geland.

Het leven van de 'blanda's' was hier voor de oorlog in vele opzichten net zo rustig als in een Hollands provinciestadje. Enige maanden na de capitulatie van Japan, kwam ook over deze stad de golf van extremistische terreur. Er was toen reeds een Engelse bezetting, die echter aanvankelijk zeer onvoldoende optrad tegen deze uitingen van Indonesisch streven naar vrijheid. Wèl werden zogenaamde beschermde wijken aangewezen en wéér leefde men achter prikkeldraad. Ondanks de Engelse bescherming was het mogelijk, dat er tot voor kort nog regelmatig handgranaten binnen deze 'blocks' ontploften. Voor de variatie werd er ook wel eens geschoten, maar och, men raakte hieraan op de duur gewend. Nog steeds was de voedselsituatie onvoldoende, onder andere zeer weinig aanvoer van verse groente en vers vlees.

Sinds drie maanden hadden de weinige alhier gelegerde Nederlandse militairen van het KNIL geen Naafi-rantsoenen ontvangen. De Welfare in Batavia scheen van het bestaan van het kleine Nederlandse garnizoen niets af te weten.

Met lede ogen zagen wij in de stad meer rood-witte dan rood-blauwe vlaggen hangen. Op verschillende punten buiten de 'blocks' spreidde Indonesische politie - in allerlei uniform gekleed - haar macht ten toon.

Gedurende de eerste tijd, dat wij hier waren, was het opmerkelijk rustig. Stilte voor de storm? De toekomst zou het uitwijzen.

Het Bleef Niet Stil

Alvorens melding te maken van de gebeurtenissen, die een einde maakten aan de periode van rust, zal ik proberen in het kort een beeld te schetsen van de omstandigheden, waaronder wij die eerste weken in Padang doorbrachten.

In de eerste plaats wil ik opmerken, dat de instructies , die ik ontving van kapitein Klaui, weinig inhielden. Achteraf ben ik tot de overtuiging gekomen, dat onze aanwezigheid voornamelijk bedoeld was als een vorm van morele steun voor de burgerbevolking, die na de ellende van de kamptijd en de daarop gevolgde terroristische acties verlangend uitkeek naar de komst van Hollandse soldaten. In de bescherming door het Engelse leger had men weinig vertrouwen.

En inderdaad bleek mij al heel snel, dat men blij was met onze komst, hoe klein ons detachement ook was, bestaande uit de eerder vermelde 21 man.

Wij, dat waren, behalve mijzelf, de korporaals Van Drunen en Fritse, de Jagers eerste klasse Domenie, Hurxkens, Muytjens en Van Meerendonk en de Jagers Wagemakers, Minheere, Van Hezik, Berkhey, Eilders, Smulders, Kamperman, Van de Kerkhof, Koene, Jacobs, Marnette, Brouwers, Klomp en Bazen; allemaal van de tweede compagnie.

De Plaatselijke Militaire Commandant van Padang was kapitein Klaui (KNIL). Het 'garnizoen' bestond uit enige 'specialisten' van het KNIL, die uit krijgsgevangenschap waren gekomen, en een compagnie voormalige romusha's, dwangarbeiders van Java, Madoera en andere gebieden, die door de jappen te werk waren gesteld bij de aanleg van een spoorlijn op Midden-Sumatra. Deze soldaten waren opgespoord door de luitenant van het KNIL De Boer, een Antilliaan, die hen een korte militaire opleiding had gegeven en voor wapens had gezorgd. Het waren felle, enthousiaste jongens.

De feitelijke bezetting van de stad was in handen van de Engelsen/Voor-Indiërs, die een 'southern block' en een 'northern block' hadden ingericht. Ze reden af en toe een patrouille met pantserwagens, overdekt met gaas, maar deden verder niets. De TRI, of wat zich zo noemde, had Vrij spel en maakte daar een misdadig gebruik van. Geen wonder, dat de Nederlandse bevolking weinig gecharmeerd was van haar Engelse 'beschermers'.

Mijn mannen werden gehuisvest in een drietal stenen huizen aan Olo, niet ver van het kerkhof. Het waren simpele woningen met een galerij'tje ervoor. Ik vond de eerste week onderdak in het Oranje Hotel en voegde me daarna bij mijn manschappen. Aan de andere kant van de weg, tegenover ons bivak, stond een aantal kamponghuizen. Dat was al rood-wit gebied, want een denkbeeldige grens liep over de weg. Een absurde toestand natuurlijk.

We hadden het niet breed, want over zee werd weinig getransporteerd en aanvoer door de lucht was er ook nauwelijks; misschien wel als gevolg van de natte moesson. Maar aangezien de Jagers op 14 oktober één jaar van huis waren, wilde ik toch een feestje organiseren. Op het programma stonden een dansavond en een voetbalwedstrijd tegen het KNIL. De dansavond werd een succes; de Resident was zelfs aanwezig. Maar wat belangrijker was: ik had vrouwen kunnen organiseren' en bovendien drank en gebak kunnen bemachtigen. Van de voetbalwedstrijd kwam niets terecht; de Engelsen verjoegen ons van het veld, omdat zij zelf een balletje wilden trappen.

De storm stak op op 18 oktober. Die avond werd er vanuit de kamponghuizen aan de overkant een aantal handgranaten naar ons kampement gegooid. Nu hadden we wel eens vaker een handgranaat te verwerken gehad, waartegen we ons hadden gewapend door kippegaas, dat ik ergens op de kop had getikt voor de galerijen van de huizen te spannen. Maar toen enkele fanatici (in mijn herinnering: een tiental) ook nog via het nabijgelegen kerkhof aan een aanval begonnen, was voor ons de maat vol. We zijn onmiddellijk tot de tegenaanval overgegaan en na een korte schietpartij waren onze tegenstanders snel verdwenen. Eigenlijk betekenden deze incidenten niet meer dan speldeprikken, die echter wel ernstige gevolgen hadden kunnen hebben.

Ik kwam tot de conclusie, dat er wat moest gebeuren, voordat er slachtoffers zouden vallen. De TRI-knapen opereerden steeds vanuit de kamponghuizen op 'hun' gebied en van die kant dreigde dus het grootste gevaar. Daags na de aanval gaf ik opdracht ze in brand te steken. Tijdens de brand kwam toevallig (?) de door ons weinig beminde burgemeester van Padang, Aziz Chan, in zijn luxe auto met roodwitte vlag voorbij gereden. Hij was woedend, sprak van provocatie en eiste op hoge toon, dat wij de brand onmiddellijk zouden blussen. Omdat hij wel inzag, dat dit natuurlijk onbegonnen werk was, besloot hij maar door te rijden, vermoedelijk regelrecht naar de Engelse commandant.

En inderdaad: enige tijd later kwam een Engelse brigade-generaal (generaal Thompson) naar ons toe. Hij stelde aan mij de vraag of ik opdracht had gegeven de huizen in brand te steken. Toen ik dat bevestigde zei hij, dat hij zich door mijn optreden gedwongen zag mij als zijn gevangene te beschouwen. Ik moest mee en heb een dag bij de Engelse brigade in onvrijheid doorgebracht.

Kapitein Klaui, de P.M.C., die inmiddels ook ten tonele was verschenen, wist kennelijk geen raad met de situatie en gaf mij het advies de feiten in mijn voordeel te verdraaien. Hij was, denk ik, nogal bang voor de gevolgen. Ik weigerde echter leugentjes te verzinnen om mijzelf vrij te pleiten. Bovendien: ik was overtuigd van de juistheid van mijn beslissing.

Weer een dag later kwam een Engelse officier naar mij toe om rapport van het gebeuren op te maken. Het toeval wilde, dat ik een paar dagen eerder een ontmoeting met hem had gehad. Op een nacht namelijk passeerde een Engelse patrouille, waarvan hij commandant was, ons bivak (de enige Engelse lopende patrouille, die ik in die periode ooit gezien heb). Ik heb hem toen met zijn mannen uitgenodigd voor een kop thee. Bij die gelegenheid hadden wij een heel plezierig gesprek, waarbij enkele wederzijdse ervaringen werden uitgewisseld. De man bleek uit Dover afkomstig te zijn, de plaats waar wij ruim een jaar tevoren voor het eerst voet op Engelse bodem zetten! Wij waren dus geen wildvreemden voor elkaar. Niettemin: er moest nu eenmaal rapport worden opgemaakt en ik vertelde hem wat zich hier allemaal had afgespeeld en wat de aanleiding was voor het opruimen van de kamponghuizen. Vervolgens, vroeg ik hem op de man af: 'if you had been in my position, what would you have done?'. Zijn reactie was even kort als duidelijk: 'the same'.

Hoewel de Engelse brigadecommandant mij ervoor gewaarschuwd had, dat het muisje zeker een staartje zou hebben, heb ik van het hele voorval nooit meer iets gehoord. Maar ik had wél mijn doel bereikt: die kamponghuizen waren weg. Nadat we de begroeiing eromheen weggekapt hadden, moesten nog maatregelen worden genomen om 's avonds en nachts het voorterrein te kunnen verlichten. Maar ook dit probleem kon worden opgelost dankzij het feit, dat ik een electro-technicus had leren kennen, die deel uitmaakte van de kleine Hollandse gemeenschap in Padang. Hij zorgde voor lampen, die in de palmbomen werden opgehangen. Dat wij erg blij waren met zijn deskundigheid en organisatietalent behoeft geen betoog! We zetten 's avonds in deze rood-witte enclave wachtposten uit en bleven verder verschoond van ongewenste belagers. Dat gaf in ieder geval wat meer gemoedsrust.

Hoewel we van de Engelsen niets mochten ondernemen, liepen voor onze eigen veiligheid toch patrouille in de omgeving van ons bivak.

foto Inmiddels had ik kennis gemaakt met een Engelse bataljonscommandant (luitenant-kolonel Gillan, 8/8 Punjab). Althans ik dacht, dat hij Engelsman was. Maar hij hielp mij gauw uit de droom. Hij vertelde namelijk vol trots, dat hij een Schot was! Een fantastische vent, die direct aanbood mij te willen helpen als ik hulp nodig mocht hebben. Omdat mij geen enkel vervoermiddel ter beschikking stond, bracht hij mij in contact met zijn M.T.-officier, die voor transport zou kunnen zorgen als ik daaraan op zeker moment dringend behoefte zou hebben. Hij nodigde mij ook uit in de officiersmess van de Engelsen en wij dronken er gezellig een borrel. Ik denk dat hij ook zorgde voor een uitnodiging voor de afscheidsreceptie van 8/8 Punjab; een invitatie, waarmee ik mij zeer vereerd voelde.

Begin november kwamen de kwartiermakers van ons bataljon in Padang aan. Ik kon hen uiteraard wel enige ondersteuning geven. Toen het bataljon op 20 november arriveerde, was dan ook vrijwel alles geregeld. Met tevredenheid kon ik vaststellen, dat mijn groepje voortrekkers de onrustige beginperiode in Padang zonder kleerscheuren had overleefd.

Toen begon de Sumatra-tijd voor de Jagers, die langdurig en zeer bewogen zou zijn. Daarover zal menig verhaal te vertellen zijn; ernstig, droevig, spannend, maar ook humoristisch.

Jaren later....

Ik had Opnieuw een merkwaardige ontmoeting. Teruggekeerd in Nederland en opgeroepen voor herhaling, kreeg ik een niersteenaanval, zodat ik in het militair hospitaal in Den Haag belandde. Men bracht mij naar een kamer. Wie lag daar in een ander bed ? Jawel, kapitein Klaui uit Padang.

Sint Hubertus

De geschiedschrijving van ons bataljon zou niet compleet zijn, als niet ook nog melding gemaakt werd van het feit, dat we over een eigen fanfarekorps beschikten. Menige oud Jager zal zich het optreden van dit korps bij diverse gelegenheden, zoals onder andere sportevenementen weten te herinneren. Weinigen echter zullen op de hoogte zijn van de ontstaansgeschiedenis. Dit verhaal nu is bedoeld als poging een en ander uit de doeken te doen. Als ik er bovendien in mag slagen weer wat beelden van 'Sint Hubertus' op te roepen, is er opnieuw een stukje toegevoegd aan de caleidoscoop van onze geschiedenis.

Na de bezetting van Pasar Baroe, op 21 juli 1947, en de terugkeer van de oorspronkelijk gevluchte kampongbewoners, bleek al snel, dat de bevolking ons welgezind was. De kepala's kampong werkten graag met ons samen en hielden ons uitstekend op de hoogte van bijzondere gebeurtenissen. Zo kon bijvoorbeeld een verborgen voorraad Japanse vliegtuigbommen worden opgespoord.

zo gebeurde het ook, dat op een van de patrouilles een kamponghoofd de patrouillecommandant (sergeant Corsius) kwam vertellen, dat op een bepaalde plaats allerlei blaasinstrumenten lagen opgeslagen. Die moesten ze maar meenemen vond hij. Al blazend en toeterend kwam de patrouille zo'n twaalf man het kampement weer binnen; een beeld, dat degenen die erbij waren, niet gauw zullen vergeten. Dit voorval betekende het prille begin van 'Sint Hubertus'. De datum weet ik niet meer, maar het zal eind augustus/begin september 1947 zijn geweest.

Frans Corsius was een muzikale man, afkomstig uit Maastricht, waar hij al vôôr zijn diensttijd in een van de vele harmonie- of fanfarekorpsen speelde. Z'n trompet had hij uit Holland meegenomen naar Indië. Hij was een uitstekend hoornblazer, die soms - samen met Schaapsmeerders (ook van de tweede compagnie en eveneens een goed hoornblazer)- optrad bij bepaalde gebeurtenissen, zoals een herdenkingsplechtighejd of een defilé. Van Corsius kwam het idee om van het 'zootje ongeregeld' een echt hoempa-orkest te formeren. De leiding hiervan kwam bij hem in goede handen.

In de tweede compagnie zaten meer amateur-muzikanten,de één met méér muzikaal 'talent' begiftigd dan de ander. Maar, na ijverig oefenen, begonnen de geproduceerde klanken toch op echte fanfare-muziek te lijken.

foto Dankzij bevriende relaties in Padang kregen zij de beschikking over oude burgerkleding, inclusief enkele fraaie oude vilthoeden. Een van de dames uit de kleine burgergemeenschap vervaardigde een heus vaandel, waarop in fraaie letters werd geborduurd: 'Koninklijke Fanfare St. Hubertus' Aldus uitgedost begon ons eigen orkest na enige tijd aan optredens. Wanneer de première was, kan ik mij niet meer herinneren. Het zal in november 1947 zijn geweest, rond de datum van de aankondiging van Generaal Spoor, dat onze aflossing zou worden uitgesteld. Misschien daarom bestond het repertoire onder meer uit 'Give me five minutes more' en 'We gaan nog niet naar huis'.

'Sint Hubertus' musiceerde in die dagen onverdroten; de wielerronde van Padang werd muzikale luister bijgezet en bij het militair hospitaal en het huis van de kolonel werden serenades gebracht.

Kolonel Sluyter had veel waardering voor het optreden van 'Sint Hubertus', hetgeen bleek na zijn afscheid op 10 maart 1948. Op weg naar Nederland stuurde hij vanuit Batavia twee telegrammen naar de Jagers. In het ene bedankte hij voor het album met foto's, dat hem was aangeboden; het andere telegram luidde letterlijk: 'Aan Harmonie Sint Hubertus nog veel succes toegewenst, ook namens Madammeke. Da ge bedankt zijt witte. Houdoe Sluyter'.

De fanfare 'Sint Hubertus' is één van de goede herinneringen die Jagers hebben.

Markante Ontmoetingen in een Vacantie

door Jan Crabbendam

'Ik heb op 't punt gestaan om U neer te schieten, toen in 1947', zegt de Gouverneur van West Sumatra, Mahyuddin Algamar, tegen mij in Padang, als wij na twee en dertig jaar een toeristisch bezoek brengen.

Met een groep van zes en dertig oud-Jagers en vrouwen maken wij een reis door Indonesië en uiteraard is West -Sumatra, waar wij van eind 1946 tot medio 1948 hadden rondgezworven, in het programma opgenomen.

De vooroorlogse woning van de Nederlandse Resident, zo'n royaal landhuis met open voorgalerij en palen en omringd door een groengazon als een golfveld, fungeerde in die jaren als hoofdkwartier en officiersmess van het bataljon; reden om tot de genoemde gouverneur door te dringen om hem te verzoeken het thans als gouverneurspaleis ingerichte complex nog eens te mogen bezichtigen.

Dat 'doordringen' was een operatie op zichzelf, want een Gouverneur is in de Indonesische maatschappij een hoge autoriteit, vrij dicht bij Allah. Na voorlegging van onze vraag aan een portier ging deze te rade bij een soort hoofd-portier en vervolgens werden hierbij een paar bureauambtenaren van het Gouvernementskantoor en enkele militairen betrokken, totdat de secretaresse voor een entree zorgde.

Een kleine beminnelijke man, de gouverneur, die nog redelijk goed Nederlands sprak en daar ook geen bezwaar tegen had, nadat wij onze spijt hadden betuigd het Bahassa Indonesia niet voldoende te beheersen.

'Weet U dat het vandaag 21 juli is?' vroeg hij na de eerste oriëntatie. Dat konden we bevestigen. 'En op 21 juli1947 begon de eerste politionele actie!' Ook die datum kwam ons bekend voor. 'Op die dag was ik, als jong luitenant, bij een weinig vriendschappelijk gesprek tussen mijn kolonel en een majoor Dam, die vliegveldcommandant van Tabing was, op de demarcatielijn tussen Padang en Bukit Tinggi. Jullie hadden de trein tegengehouden en de burgemeester van Padang was doodgeschoten'.

Ook ik herinnerde mij dit heftige gesprek glashelder en behoefde alleen de naam van de majoor te rectificeren. De eerste politionele actie was vroeg in de morgen in oostelijke richting begonnen, maar dit was, gelukkig voor mij, op dat moment nog niet bij mijn gesprekspartner bekend.

Bij het oplaaien van de discussie daar aan die noordelijke demarcatielijn, had de luitenant Algamar zijn pistool getrokken, maar zijn eigen kolonel had hem van mijn abrupte liquidatie weerhouden. Ik kon die, inmiddels overleden, kolonel niet anders dan dankbaar zijn voor zijn ingreep en ook Algamar, dat hij zich niet volledig door zijn emoties had laten meeslepen. Dan had deze ontmoeting na twee en dertig jaar niet plaatsgevonden!

De Gouverneur zou een week later in een dagbladinterview in de 'Sinar Harapan', een krant in Jakarta, verklaren: 'En toen viel Crabbendam mij om de hals'.

Misschien was dit voor een zuiderling of een oosters mens ook wel de meest passende reactie, maar ik heb dat dus niet spontaan gedaan, waarschijnlijk ook al omdat ons lengte verschil vrij aanzienlijk was.

Voor de Gouverneur, als mohammedaan, had die toevalstreffer 21juli 1947 en 21 juli 1979 een min of meer mystieke betekenis: toen als vijand, nu als vriend, en hij toonde zich enthousiast om dit weerzien een feestelijke omlijsting te geven.

Hij verzocht mij de gehele groep voor een receptie in het paleis uit te nodigen en wel op zondagmiddag om vier uur.

In de morgenuren werd moeilijk, vertelde hij, want Prins Bernhard zou met een klein gezelschap uit Jakarta komen lunchen en in de middag per auto verder gaan naar Bukit Tinggi (vroeger Fort de Kock) in verband met activiteiten voor het Wild Life Fund.

Het flitste onmiddellijk door mij heen, dat deze merkwaardige samenloop van twee Nederlandse bezoekersgroepen, een unieke gelegenheid kon bieden om de Prins met deze oud-oorlogsvrijwilligers te confronteren. De Prins had namelijk eind 1944 zelf de stimulans gegeven om dit bataljon Garde-Jagers, hoofdzakelijk bestaande uit Brabanders en Limburgers op te richten. De Gouverneur kon dit aanvoelen en zegde zijn medewerking toe. Zodra de Prins op het vliegveld Tabing geland zou zijn, zou hij ons in het hotel laten waarschuwen en konden we met een delegatie met taxi's naar het paleis komen.

Deze coupe werd op die zondag zo uitgevoerd en de Prins en zijn gezelschap waren verrast in de ontvangsthal van het paleis een andere Nederlandse club aan te treffen. De Prins heeft dit uitermate sportief sportief opgevangen en een half uur met deze oud OVW-ers over hun herinneringen aan dit prachtige gebied gesproken. Dat de destijds door hem en de Minister van Oorlog geschatte uitzendtermijn van anderhalf jaar er bijna drie zijn geworden, werd hem nu niet meer kwalijk genomen. Het dagblad van Padang zag het allemaal niet meer zo scherp met al die Belandas en verhief mij op een foto tot Prins Bernhard, hetgeen ter plaatse niet tot ingezonden stukken leidde.

Die namiddag kwam de gehele groep van zesendertig mensen in het paleis en werd door de gouverneur, en diverse medewerkers, met frisdranken en gebak ontvangen. We kregen volop gelegenheid de fraaie inrichting van thans te vergelijken met wat in de herinnering leefde. De gouverneur hield een sympathieke toespraak, waarin hij de verbondenheid van onze volken, ondanks de koloniale voorgeschiedenis en de moeilijke jaren 1945 - 1950 naar voren bracht.

Ik heb Mahyuddin Algamar namens onze groep dank voor deze gastvrije en hoffelijke ontvangst gebracht. Men moet grootheid van geest bezitten om oude directe tegenstanders zo tegemoet te kunnen treden. Van onze kant is de liefde en vriendschap voor dit land en dit volk blijven bestaan.

Het was het hoogtepunt van deze toeristische reis, die verder over Java en Bali voerde.

Aanvulling op het verhaal van Jan Crabbendam

door Lou Somer

Eind november 1946: het vliegveld Tabing wordt door de 2e Compagnie overgenomen van de Engelsen. De Engelse bezetting bestond destijds uit 2 compagnieën Ghurka's, die van het vliegveld een soort vesting hadden gemaakt. Zij hadden daar o.a. de beschikking over zware mitrailleurs.
Nadat wij ons bivak hadden ingericht en de meest urgente maatregelen hadden genomen ter bewaking van het vliegveld, kwam de tijd van het patrouille lopen weer aan. Dit laatste was een activiteit die in de defensieve strategie van de Engelsen in die periode niet meer paste.
Zo gebeurde het, dat ik in de eerste week van december met een patrouille op stap ging om de directe omgeving, met name de kuststrook, te verkennen. Op een gegeven moment -we waren nog niet ver van het vliegveld verwijderd- stuitten wij op een bewapende patrouille van ca 20 TNI-militairen, die, niets vermoedend, rustig over een weggetje kwamen aanlopen. Onze wél-alerte verkenners openden onmiddellijk het vuur. Het werd een kort vuurgevecht, want al snel sloegen de Indonesiërs in grote verwarring op de vlucht, met achterlating van 3 doden. Tijdens onze achtervolging zagen we nog kans 3 tegenstanders gevangen te nemen en een paar wapens buit te maken.

Ruim 32 jaar later

Ook mijn vrouw en ik maakten deel uit van het gezelschap, dat in Padang op bezoek was bij de gouverneur. Net als Jan Crabbendam kan ik in dit verband spreken van een merkwaardige ontmoeting. Toen ik n.l. tijdens dit bezoek met de gouverneur in gesprek raakte, vertelde hij mij dat hij aan zijn eerste contact met de Jagers, die destijds op het vliegveld Tabing gelegerd waren, niet zulke prettige herinneringen bewaarde. Hij vertelde mij vervolgens, dat hij als commandant van een TNI-patrouille in gevecht was geraakt met een patrouille van de Jagers en dat daarbij 3 van zijn mannen waren gesneuveld. Hij was door die Nederlanders volkomen verrast, want van de Engelsen was hij dergelijke 'uitstapjes' helemaal niet gewend.
Onze gastheer was opnieuw verrast toen hij van mij hoorde dat ik destijds de commandant van die Nederlandse patrouille was. Na deze mededeling was het heel even stil, hij keek mij aan, sloeg een arm om mijn schouder en zei: 'toen waren wij vijanden, nu zitten we als vrienden naast elkaar. Dat wij na zoveel jaren elkaar hier ontmoeten is Allah's wil.'
Deze vriendelijke man bleek dus ook dezelfde man te zijn, die op 21 juli 1947 mijn toenmalige compagnies-commandant had willen neerschieten.
Voor mij betekende deze ontmoeting één van de onvergetelijke gebeurtenissen in mijn leven.

© Lourens Jan Somer

Verhaal van een oorlogsveteraan.

Ontmoetingen met en herinneringen aan Prins Bernhard.

26 mei 1948
Terugkeer van het le Bataljon Jagers O.V.W. uit Indonesië.
31 mei 1948
Op speciaal verzoek van prins Bernhard défilé van het Bataljon voor de kon. familie voor het paleis Soestdijk. Vanaf de oprichting van het Bataljon in januari 1945 in Fournes (Frankrijk) waarbij de prins ten nauwste betrokken was, is de prins altijd geïnteresseerd geweest in onze belevenissen.
15juli - 5 augustus 1979
Reis naar Indonesië met een groep oud-Jagers + aanhang ("sentimental journey"), waarbij o.a. Padang (SWK) met omgeving wordt bezocht. Het was een grote verrassing te merken dat de prins tegelijkertijd een bezoek bracht aan Padang. Hij was eveneens verrast te vernemen, dat een stel oud-Jagers daar een paar dagen vertoefde.
Wij kregen al snel een uitnodiging om met een kleine delegatie o.l.v. mijn goede vriend, reserve majoor Jan Crabbendam, de prins te ontmoeten in de woning van de Indonesische gouverneur van SWK. Dit was de vroegere residents-woning en in de jaren 1946-1948 hoofdkwartier van de bataljon's - staf. Het was een gezellige bijeenkomst en een gebeurtenis om niet te vergeten. In de plaatselijke pers verscheen hierover een uitgebreid artikel.
11 mei 1992
foto Gezien de belangstelling van de prins voor het le Bataljon hebben wij met een kleine delegatie (4 man) het eerste exemplaar van de "Kroniek van het Eerste Bataljon Jagers OVW" op paleis Soestdijk aan de prins aangeboden. De kroniek was samengesteld uit een aantal artikelen, waar onder een paar van mijzelf, van Oud-Jagers(zie boven). Prettige ontvangst in een genoegelijke sfeer. Onder het genot van een fikse borrel. De prins begon onmiddellijk heel geïnteresseerd in het boekje te bladeren. Na 1 1/2 uur namen wij afscheid. De prins maakte nog de opmerking bij de borrel: "meer krijgt U niet want U moet nog rijden".
11 mei 1995
Jubileum-reünie van het bataljon in Bronbeek ter herdenking van het feit dat 50 jaar geleden (in januari 1945) het Bataljon werd opgericht. Tijdens de reünie een telefoontje van de prins uit Soestdijk om mij als voorzitter van de reünie-commissie en alle reünisten te bedanken voor het telegram van aanhankelijkheid dat wij hem hadden gestuurd. Hij wenste ons daarbij nog een prettig samenzijn voor de rest van de dag.
Enthousiaste reactie nadat ik had verteld van mijn contact met de prins. Einde verhaal, evenals voor de prins op 2 december 2004.


HOME