Hierna een hoofdstuk uit mijn boek geschreven over Johannes Somer. Het gaat over de "De Periode 1945 - 1975". In 1975 ging hij met pensioen.

Periode 1945 - 1975

Na de in het vorige hoofdstuk genoemde benoeming moet hij bevorderd zijn tot adjunct commies 1e klas omdat hij in augustus 1950 als adjunct commies ter secretarie 1e klas, benoemd wordt tot commies.
Het verdere verloop van zijn ambtelijke carrière ziet er als volgt uit.
Per 1 januari 1954 wordt Johannes van de afdeling Financiën bevorderd tot commies 1e klas.
Op maandag 2 januari 1956 viert Johannes zijn zilveren ambtsjubileum. Dat heeft als voordeel dat hij ¼ maandsalaris krijgt. Deze gratificatie regeling is in 1952 ingevoerd.Deze regeling bestaat uit een gratificatie of een geschenk dan wel een combinatie van deze twee echter het mag niet meer bedragen dan bij een 25 jarig jubileum ¼ maand respectievelijk weeksalaris, 40 jarig jubileum ½ maand respectievelijk weeksalaris en bij een 50 jarig jubileum 1 maand respectievelijk weeksalaris. Hierbij is bruto is netto.
Per 1 januari 1958 is Johannes bevorderd tot hoofdcommies. Daarna volgt tenslotte nog de benoeming tot hoofdcommies-A in 1969.

Woningbouw

foto Het gebrek aan woningen na de oorlog 1940/1945 deed zich ook in de gemeente Assen gelden.
Johannes was nadrukkelijk bij deze problematiek betrokken zoals blijkt uit onderstaande lezing die hij in 1948 heeft gehouden.
In zijn werk als ambtenaar heeft hij talloze woningbouwprojecten in Assen administratief voorbereid. Mr. Meestra memoreert in zijn afscheidswoord (zie hierna), wanneer Johannes met pensioen gaat in 1975, dat 5000 woningwetwoningen op papier door Johannes' handen zijn gegaan. Ook werden alle infrastructuur verbeterde voorzieningen en alle werken in het kader van de verbetering van de werkgelegenheid administratief door hem afgewikkeld.

De inhoud van de lezing van Johannes is achterhaald maar het getuigt van zijn kennis en betrokkenheid bij dit probleem. Dit is dan ook de reden dat de lezing is opgenomen. Het meest technische gedeelte de bespreking van "De beschikking bijdragen woningbouw 1948" is om begrijpelijke reden weggelaten. Overigens is dit gedeelte onvolledig.

Lezing, gehouden voor het Instituut van Bestuurswetenschappen op 1 Oktober 1948 door J. Somer, adjunct-commies 1e klasse afdeling Financiën te Assen over

DE FINANCIERING VAN DE WONINGWETBOUW

Eén van de meest benauwende problemen welke voor ons volk om een oplossing vragen is wel het probleem van de Volkshuisvesting.
Reeds is door verschillende kerken en maatschappelijke organisaties een dringende oproep tot de overheid en het Nederlandse volk gericht, om door uiterste krachtinspanning het tempo van de woningbouw te versnellen alsook in offervaardige bereidwilligheid tot samenwonen, waar dit noodzakelijk is, de rampzalige gevolgen van de woningnood te temperen.
Ook de artsen hebben door middel van hun vakverenigingen, op deze rampzalige gevolgen de aandacht gevestigd.
Het is goed geweest van deze organisaties, om op deze tweede ramp, die ons volk bedreigt, de aandacht te vestigen, een ramp, welke even noodlottig kan worden, als de ontzettende werkloosheid in de jaren 1932-1938.
Het gevaar bestaat, dat wij aan de woningnood gewoon gaan raken, en onze plicht welke we daar ten opzichte van de te vervullen hebben, gaan verzaken.
De middelen zullen dus gevonden moeten worden, om liefst in een snel tempo uit de moeilijkheden te geraken.
Nu mogen we ons gelukkig prijzen, dat in ons land op het gebied van de volkshuisvesting, veel baanbrekend positief werk verricht is.
Reeds bij Koninklijke boodschap van 11 september 1899 werd een ontwerp woningwet bij de Tweede Kamer ingediend, dat afkomstig was van de ministers Goeman Borgesius, Cort van der Linden en Mr. Pierson.
Het ontwerp was niet gegrond op het dogma, van de gemeentelijke autonomie, waaraan men tot dusver alles had overgelaten, maar steunde op de ervaringsoverweging, dat zonder ingrijpen van het Centraal gezag, afdoende verbetering niet te verwachten was. De toenmalige wetgever voerde enige dringende redenen voor ingrijpen aan:
Algemeen werd erkend, dat de volksgezondheid, het zedelijk peil en de materiële levensstandaard met de volkshuisvesting nauw samenhangen. Uitstel van ingrijpen doet zich op dit terrein bij uitstek sterk gevoelen.
Voor alles, zo kan men in de memorie van toelichting lezen, moeten de gemeentebesturen, reeds lang tot behartiging van dit volksbelang geroepen, tot krachtig optreden worden geprikkeld, desnoods gedwongen, moet het particulier initiatief (de regering bedoelde hiermede vrij zeker sociaal initiatief) worden aangemoedigd en moet hetgeen de werkzaamheid van plaatselijke besturen en particulieren belemmert, uit de weg worden geruimd.
De beoogde hervorming kan worden verwezenlijkt zonder te grote offers van de schatkist. Deze woningwet, niemand zal het kunnen ontkennen, heeft zegenrijk voor ons volk gewerkt, en heeft er toe bijgedragen, om onze volkshuisvesting op een zodanig peil te brengen, dat wij gewoon waren als normaal te kwalificeren.
Mochten wij in ons land tot 1940 op de grondslagen, zoals do wetgevers van 1899 zich dat voorgesteld hadden, gestadig voortgaan, zich aanpassende aan gewijzigde omstandigheden van techniek en sociaal inzicht, de oorlog en bezettingsjaren, heeft dit groeiproces wreed gebroken en toen de bevrijding kwam, stond het probleem van de volkshuisvesting in al zijn veelzijdigheid meer dan ooit in het middelpunt van de publieke belangstelling.
Wij kennen de gevolgen van de oorlog, sterke toeneming van het aantal huwelijken, stopzetting woningbouw, vernieling van woningen, vernieling van ons productieapparaat enz. enz.
Alles lijkt schier onoplosbaar en dat voor een vraagstuk, hetwelk zo nauw samenhangt met de geestelijke en lichamelijke gezondheid van ons volk.
1899 doemt weer voor ons op, maar gelukkig en dat mag als een lichtpunt worden aangemerkt, kunnen wij profiteren van reeds gedane ervaringen en de voortgaande techniek; dit zal het naar wij hopen mogelijk maken tot een snellere oplossing van de hangende problemen te geraken.
Maar er is een bedenkelijke kant aan de oplossing verbonden, dat men de gehele oplossing maar liefst afwentelt op de overheid, op welke overheid hetzij rijk of gemeente dat doet er niet toe.
De overheid krijgt het vraagstuk in zijn volle zwaarte te torsen. Zij dient niet alleen de kapitalen te fourneren welke voor de bouw benodigd zijn (dus als kapitaalverschaffende instantie op te treden) maar ook dient zij de verliezen te nemen, welke met de exploitatie gepaard gaan.
Nu heeft wel de wetgever van 1899 het vraagstuk van de volkshuisvesting tot een rijkszaak verklaard, en zij heeft dit beginsel ook consequent doorgevoerd, door het vraagstuk uit de gemeentelijke autonomie te lichten, maar heeft toch ook gerekend, op het particulier en sociaal initiatief.
Dit sociaal initiatief is vandaag aan de dag gelukkig nog niet gedood, wij mogen ons gelukkig prijzen, dat dit sociaal initiatief zelfs zo in ruime mate zich weer gaat ontplooien, we behoeven maar te denken aan de bouwspaarkassen, welke vooral in de Noordelijke Provinciën hun activiteit ontwikkelen, dan is dat een lichtpunt waarvoor we niet dankbaar genoeg kunnen zijn.
Teveel ziet de grote massa van ons volk de overheid, als de enige instantie, welke het vraagstuk van de volkshuisvesting maar tot een oplossing moet brengen.
Dit is m.i. niet rechtvaardig, het is een taak van het gehele volk, waar ieder zijn aandeel en offer moet toe bijdragen.
Zoals U bekend is regelt de woningwet en het woningbesluit de financiering van de woningbouw (daarmede wordt dan eigenlijk bedoeld de Sociale Woningbouw, laatstelijk gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 30 december 1947 Staatsblad 68).
Toen dan ook de bevrijding kwam, hebben de meeste gemeentebesturen op grond van de bestaande wettelijke bepalingen de woningbouw aangepakt, dit ging goed, tot in het najaar 1947 toen hot rijk de verlening van voorschotten voor de bouw van woningwetwoningen stopzette.
Bij de behandeling van de Rijksbegroting over 1948 van Wederopbouw en Volkshuisvesting in de tweede Kamer der Staten Generaal, deelde de minister mede, dat dit was geschied teneinde de druk te verminderen welke op de staatsschuld wordt uitgeoefend door de woningwetbouw.
In een persbericht van het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting van 3l januari 1948 werd er op gewezen, dat de woningwet voorschotten een steeds zwaardere wordende last op het rijk leggen, en dat in de eerste plaats die gemeenten woningwetwoningen zouden kunnen bouwen, die zelfstandig zouden voorzien in de behoefte aan bouwkapitaal.
Voorzover dus nog geen rijksvoorschotten waren toegekend, zullen de gemeenten zijn aangewezen op de normale organen van de geld- en kapitaalmarkt.
Het rijk stelt er namelijk prijs op, het totaalbedrag van de verleende of in uitzicht gestelde voorschotten in zoverre te verminderen dat de op rijksbegrotingen voor de jaren 1946-1947 en 1948 voor woningbouw geraamde bedragen niet worden overschreden. Het rijk gaat hierbij aldus te werk, dat het de omzetting van de laatst in uitzicht gestelde of verleende voorschotten in een geldlening bij één der rijksfondsen aanbiedt en met deze aanbiedingen, ook voor eerder verleende voorschotten zolang doorgaat, totdat de overschrijding van de begroting van het rijk is weggenomen.
Een globale berekening heeft uitgewezen1 dat voor zodanige aanbieding in aanmerking zullen komen de gemeenten aan welke op 31 december 1947 een voorschot was in uitzicht gesteld of toegekend, en waarop thans niet meer dan 50 % door het rijk is uitgekeerd. Men neme dit percentage, omdat het op een globale becijfering berust, voorlopig nog onder enig voorbehoud.
De gemeenten welke voor een zodanige lening in aanmerking komen, hebben hier van het ministerie bericht over ontvangen.
De lening loopt 50 jaar en de rente bedraagt 3¼% gedurende de gehele looptijd. Dit geldt ook voor de grondvoorschotten waarvoor bij de rijksvoorschotten een tijdsduur van 75 jaar gold.
Ook voor het vervolg zullen de gemeenten voor de grondkosten voor 50 jaar moeten lenen. In de exploitatie opzet, welke dient voor de berekening der rijksbijdragen ingevolge artikel 56 der woningwet, zal echter rekening worden gehouden met een last welke gebaseerd is op de verlening van rijksvoorschotten, berekend naar 4% rente en een looptijd van 75 jaar voor de grondkosten.
Voor de gemeenten betekent dus het sluiten van een 50 jarige lening voor de grondkosten een direct exploitatienadeel, hetwelk misschien opgevangen kan worden door het rentevoordeel.
Resumerende: voor de bouwplannen waarvoor op 31 december 1947 geen rijksvoorschot was verleend of toegezegd verleent het rijk geen tussenkomst. Hiervoor moet de gemeente naar de kapitaalmarkt.
Mochten de gemeenten hierin niet slagen, dan brengt de zogenaamde kapitaalverschaffings circulaire uitkomst.
In deze circulaire van 16 juli 1948 nummer 71831 / W.A.T. Schrijft de minister:
Naar ik vertrouw zullen de gemeentebesturen er in slagen zich de kapitalen te verzekeren, welke nodig zijn om do woningwetbouw gedurende dit jaar voortgang te doen vinden. Met name geldt dit voor de financiering tijdens de bouwperiode. Mocht evenwel t.z.t. door een gemeentebestuur worden aangetoond dat het er niet in is kunnen slagen voor woningwetbouw binnen het kader van het Woningbouwprogramma 1948, waarvoor een rijksbijdrage werd toegekend, een lang lopende lening aan te gaan dan ben ik bereid hiervoor alsnog een rijksvoorschot te verlenen. Deze verlening zal echter eerst in de loop van 1949 ten laste over de rijksbegroting over dat jaar kunnen plaatsvinden. De aanvrage om het voorschoot zal voorzien moeten zijn van een toelichting, waaruit blijkt welke pogingen gedaan zijn om elders te lenen en waaruit tevens blijkt, dat het gemeentebestuur bij zijn leningspolitiek aan de kapitaalsbehoefte voor de woningbouw de vereiste prioriteit heeft gegeven. Uiteraard zal het voorschot worden toegekend tegen de voor de rijksvoorschotten gebruikelijke rente van 4%.
Maar dan ontgaat de gemeente het rentevoordeel van ¾%; dit rentevoordeel kan de gemeente niet missen.
Het is dus wel van het grootste belang, dat de gemeente op de kapitaalmarkt slaagt. Het is al heel moeilijk te voorspellen of dit in algemene zin het geval zal zijn. Want na het verschijnen van genoemde circulaire is er een kentering te bespeuren op de kapitaalmarkt, niet op de kapitaalmarkt voor korte termijn kortgeld benodigd om de bouw te financieren tussen het tijdstip van de te sluiten lening levert geen moeilijkheden op, maar met de vaste leningen gaat het zo vlot niet.
De rentestandaard toont in ons land een neiging tot stijgen, wat toegeschreven zou kunnen worden aan de Beneluxovereenkomst en de enorme behoefte aan kapitaal van het bedrijfsleven in Nederland en Indonesië.
In België bedraagt de rentestand thans 4%, en gezien het streven van wederzijdse regeringen, naar een gelijk prijspeil, is het niet onwaarschijnlijk te achten, dat dit op de rentestandaard van ons land van invloed kan zijn.
Daarnaast wordt de normale kapitaalvorming geremd, door hoge kosten van levensonderhoud en algemene duurte. Maar er is ook een lichtpunt aan te wijzen:
In de kapitaalvorming van ons land valt een wijziging te bespeuren; vond deze kapitaalvorming vroeger vrijwel plaats individueel door de spaarder zelf, er is verandering te bespeuren naar het geleid sparen.
De levensverzekeringmaatschappijen, het pensioenfonds, hetzij overheid of particulier, verdringen als het ware de spaarbank.
Het valt niet te ontkennen, dat de saldo's van de spaarbanken teruglopen of een geringe stijging vertonen.
Maar daarmee is niet geconstateerd dat er in ons land niet meer gespaard wordt; dat is onjuist, zo vertonen de cijfers van de productie der levensverzekeringsmaatschappijen de laatste tijd een stijging; dit moet ook worden toegeschreven aan de vele particuliere ondernemingen, welke thans pensioenverzekeringen voor hun personeel sluiten.
De sociale winst, niet alleen voor de betrokkenen, maar ook voor de vorming van het zogenaamde sociale kapitaal, hetwelk juist zo hard nodig is voor de woningbouw. Deze pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen, hebben zich in de vorm van hun beleggingen echter te beperken tot hypotheken, overheids- of industriële obligaties. Dit sociaal kapitaal kont t.z.t. op de beleggingsmarkt terecht, al zal er rekening mee moeten worden gehouden dat ook de industrialisatie haar deel opeist.
Dwingende noodzaak voor industrialisatie van ons land wordt door de regering nodig geacht.
In dit verband verwijs ik naar nr. 8 van de mededelingen van de Bank van Nederlandse gemeenten, waar de officiële cijfers opgenomen zijn van het Centraal-Planbureau van de benodigde investeringen van diverse bedrijfstakken.
Al deze bespaarde kapitalen zullen dus niet allemaa1 naar overheidskrediet afvloeien, er zijn meer kapers op de kust.
Nu zal wel de grootste hoeveelheid van de bespaarde en door aflossing vrijgekomen kapitalen afvloeien naar het staats- en gemeente krediet, want blijkens de verslagen van de verzekeringskamer, dit overzicht is te vinden in nummer 7 van de mededelingen van de N. V. Bank voor Nederlandse Gemeenten was 72 % van de te beleggen middelen in overheidskrediet belegd; waarvan 23% op onderhandse schuldbekentenis; de bij uitstek aangewezen kredietvorm voor de gemeente.
"Maar zijn deze maatschappijen nu bereid om de gemeenten de benodigde kapitalen voor de woningbouw te verschaffen?" Op de voorwaarden zoals deze door het departement worden voorgeschreven.
Dit moet m.i. bezien worden vanuit het volgende gezichtspunt. Deze maatschappijen hebben uit hoofde van hun contracten, de verplichting op zich genomen, om op van te voren bepaalde tijdstippen, bepaalde uitkeringen te verrichten.
Dit vereist een zekere mate van liquiditeit, en daarvoor is juist nu de annnuïteitslening niet de meest geschikte.
Er zal dus naar gestreefd dienen te worden, om dit kapitaal alsnog aan te wenden voor de woningbouw.
"Kan het gemeentelijk leningsfonds in dit geval uitkomst brengen?” Naar het oordeel van de heer W. T. Wijthof in nummer 14 van "Gemeentefinanciën" in een artikel over "Het leningsfonds in wezen en in de praktijk", acht hij een dergelijke instelling alleen aanvaardbaar, voor die gemeenten die een vrij grote gevestigde schuld hebben en die vrij geregeld voor zogenaamde definitieve leningen een beroep op de kapitaalmarkt moeten doen.
Echter overwogen zou kunnen worden om althans voor een gedeelte van de gemeentelijke kapitaaluitgaven, speciaal de financiering van de woningbouw, tot de instelling van een dergelijk fonds, hetzij in gewijzigde vorm, over te gaan.

Tunnelplan

foto Ook het tunnelplan, waarover Johannes zelf altijd aangaf dat het een van zijn mooiste werken is geweest, is door hem samen met anderen administratief voorbereid.
Het project liep van 1950-1968. In Assen wordt onder de spoorwegovergang aan de Rolderstraat een tunnel aangelegd. Het project gaat de geschiedenis in als het "Tunnelplan". Het industriespoor Drentex-Wilco moet ervoor worden omgelegd, verschillende percelen aangekocht en panden afgebroken. De plannen dateren al van minstens 1950. In 1964 wordt de tunnel geopend.

De krant schrijft:
"Er heerst grote vreugde in Assen, hetgeen zich duidelijk manifesteerde toen gisteravond op, een gegeven moment de vlaggen van verschillende openbare gebouwen wapperden. Om 5.15 werd n.1. het bericht vrijgegeven dat het tunnelplan, waarover reeds zo lang werd gesproken, door de minister van Economische Zaken was goedgekeurd, zodat met de uitvoering van dit plan, dat van eminent belang is voor de kerngemeente Assen, een begin kan worden gemaakt. Dit betekent een grote verbetering van het verkeer tussen de beide stadsdelen van Drenthe's hoofdstad, terwijl ook het verkeer noord-zuid veel vlotter kan verlopen, het betekent voorts dat de bestaande industrieën en de industrieën die :zich hier gaan vestigen een betere verbinding krijgen, omdat de aanleg van het raccordement hiermede gepaard gaat en tenslotte betekent dit dat een deel van Assen gesaneerd wordt en in een andere, betere toestand wordt gebracht. Geen wonder dus dat de vlaggen wapperden en toen boven Assen een vliegtuig verscheen dat de woorden "Er komt een Wilco-Hoy-tunnel in Assen" achter zich aansleepte, wist een ieder wel wat er te doen was.
Ter gelegenheid van dit heugelijke feit werd op korte termijn een bijeenkomst belegd in hotel Overcingel, waar wethouder Th. Brouwer de gevoelens' van het gemeentebestuur vertolkte. Hij was in gezelschap van zijn beide collega's, de heren D. Berger en Chr. van Egmond, terwijl hij de mededeling deed dat de burgemeester, Mr. P. P. Agter, in Scheveningen aanwezig moest zijn voor een vergadering, doch dat hem de heugelijke tijding reeds was medegedeeld. Hij ging voorts even terug in de geschiedenis toen in 1953 het plan naar voren kwam een tunnel te bouwen in de buurt van het station om de beide delen van Assen met elkaar te verbinden. Voor het vervaardigen van de tekeningen werd een krediet van f 1500 verleend, Dat zou een tunnel worden voor voetgangers en rijwielen. Toen er later wederom over werd gesproken kwam de N.V, Nederlandse Spoorwegen met de suggestie dat beter een volledige verkeerstunnel kon worden gebouwd waardoor de kosten evenredig niet hoger zouden worden. Wederom werd een krediet voor het maken van een nieuw plan, nu van f 15.000. Hoe het ook zij aldus wethouder Brouwer we hadden niet durven dromen, dat het nu reeds zover zou zijn dat de goedkeuring van de minister voor de bouw van de tunnel zou afkomen.
Het tunnelplan moet van grote waarde worden geacht voor de stadsuitbreiding omdat deze nog niet teneinde is, waardoor ook Noordoost Drenthe en Zuidoost Groningen hiervan kunnen profiteren. Het verkeer heeft nl. een "enorme vlucht genomen terwijl Assen een centrum is in het vervoer van personen, doch ook van goederen over de weg. Klimaat verbeterende werken hebben, de voorkeur, niet alleen van de stedelijke doch ook van de provinciale autoriteiten, en mede doordat de minister zijn goedkeuring aan dit plan kon verlenen kan het tunnelplan worden gerealiseerd. Het "gezicht" van de stad verandert hierdoor radicaal. Het is een plan dat uit drie delen bestaat, want in de eerste plaats ondergaat het verkeer een enorme verbetering door deze tunnel, in de tweede plaats wordt het emplacement anders en in de derde plaats heeft het bodeterrein hiermede te maken. Vandaar dat spreker dan ook dan bracht aan alleen die hieraan hun medewerking hebben verleend.
De duur van het werk werd door de directeur van gemeentewerken, Ir. Deutekom geraamd op drie jaar, maar daarmee waren de ambtenaren van de provincie Drenthe, die deze zaak hadden voorbereid, het niet eens. Zij vonden dat het werk in 2¼ jaar wel kon worden opgeleverd. Van de zijde van de provincie werd de opmerking gelanceerd, dat met deze tunnel twee vliegen in ene klap werden geraakt, namelijk het verkeer (oost west) dat van de tunnel in Assen gebruik zal maken, dat daardoor geen hindernissen meer ondervond. Het ligt in de bedoeling dat op 1 juni aanstaande met het raccordement zal worden begonnen, terwijl tevens het seinhuisje, moet worden verplaatst. Men verwacht hiermee gereed te zijn in het begin van het volgend jaar terwijl op 1 mei 1961 met het werk aan de tunnel zal worden begonnen.
Eindelijk is dan een einde gekomen aan de spanning die omtrent het tunnelplan bestond. De bewoners van "over het spoor" zijn nu dan eindelijk gerustgesteld. Het lange wachten voor de spoorbomen zal binnen afzienbare tijd afgelopen zijn.
Het gemeentebestuur van Assen had gisteravond tal van felicitaties met dit tunnelplan in ontvangst te nemen. Verdiend overigen want met alles wat er bij behoort betekent dit een enorme verbetering voor Assen en wijde omgeving."

40 jarig jubileum

In de kantine van het gemeentehuis heeft burgemeester G. Grolleman van Assen gistermiddag de eremedaille in goud verbonden aan de orde van Oranje Nassau uitgereikt aan hoofdcommies-A Johannes Somer. De heer Somer vierde gisteren zijn veertigjarig ambtsjubileum bij de gemeente Assen.
Hij solliciteerde in 1930 naar een functie hij de ophaal- en stortingsdienst en beklom vervolgens de ambtelijke ladder.
Hij zag zijn carrière in 1969 bekroond met de functie van hoofdcommies-A ter secretarie.
Burgemeester Grolleman memoreerde de band die al vele jaren bestaat tussen de overheid en het geslacht Somer. Hij prees de heer Somer als ambtenaar en als mens en sprak zijn waardering uit over de vele zaken waarmee de jubilaris zich in de loop der jaren heeft bezig gehouden. De heer Grolleman releveerde verder de andere functies van de jubilaris, die vele jaren secretaris van twee raadscommissies was, het ambt van belastingcontro1eur vervulde, deel uitmaakte van de commissie georganiseerd overleg voor ambtenarenzaken, zitting had in het bestuur van het Protestant Militair Tehuis te Assen, lid was van de Unieraad van de CHU en zich bewoog op het terrein van het spaarbankwezen en last but not least de vakorganisaties.
De burgemeester besloot zijn toespraak met een gelukwens aan het echtpaar Somer, waarna hij de jubilaris de onderscheiding opspelde en hem de bekende gratificatie overhandigde.
Mevrouw Somer kreeg een fraaie ruiker bloemen aangeboden.
Gemeentesecretaris H. J. Boerema releveerde in vogelvlucht de werkzaamheden van de jubilaris. Met name het dienstbetoon van de heer Somer vond hij een voorbeeld voor velen. U besefte dat u er voor het publiek was en niet andersom, aldus de heer Boerema. Hij bood de jubilaris namens het personeel een fraai bureau aan.
Plaatsvervangend chef algemene zaken, A. B. Hilgenkamp, bood de jubilaris naast woorden van dank een draagspeld voor de onderscheiding aan.
De heer W. Nienhuis las namens het gehele personeel een op rijm gestelde oorkonde voor, waarin talloze grappige voorvallen uit de loopbaan van de heer Somer werden vermeld. Het raadslid de heer T. Mulder, sprak namens het Christelijke Nationaal Vakverbond waarderende woorden tot de jubilaris. Hij overhandigde een boek over Churchill.
Namens de Nederlandse Christelijke Bond voor Overheidspersoneel dankte de heer Koops de jubilerende voor het werk dat hij voor de vakgroep gemeentepersoneel heeft verricht. Ex-marktmeester J. Hoogenbirk sloot de rij van sprekers.

Koninklijk goud voor Johannes Somer.

foto Oprecht verrast was de heer Johannes Somer (60), hoofdcommies-A op de afdeling Algemene Zaken, Onderwijs en Huisvesting van de gemeente Assen, toen hij gistermiddag de eremedaille in goud verbonden aan de Orde van Oranje Nassau kreeg opgespeld door burgemeester G. Grolleman.
De heer Somer kreeg deze onderscheiding omdat hij 40 jaar in dienst van de gemeente Assen is geweest. Ter gelegenheid daarvan werd in de kantine van het gemeentehuis een receptie gehouden.
De heer Somer trad op 20jarige leeftijd in dienst van de gemeente Assen bij de ophaal- en stortingsdienst. Na enkele jaren werd hij schrijver in vaste dienst op de secretarie. Na de oorlog klom hij via commies eerste klas en hoofdcommies op tot hoofdcommies-A. Hij had veel te maken met de diensten Bos en Plantsoenen en Energie en Water.
Ook op politiek terrein was de heer Somer actief. Hij was een vooraanstaand man bij de CHU. Onder meer maakte hij deel uit van de Landelijke Unieraad. Bovendien was hij bestuurslid van de Kamerkring Assen en van de Statenkring Assen.
Ook had hij veel met Pro Rege te maken. Als bestuurslid heeft de heer Somer zich bijzonder ingespannen voor het Protestants Militair Tehuis in Assen. In de vakorganisatie CNV speelde hij een actieve rol.
Burgemeester Grolleman prees de jubilaris vooral om zijn veelzijdigheid. Een ambtenaar kan tegenwoordig onze samenleving ook op andere wijze dienen. U is daar een voorbeeld van, aldus Assens eerste burger.

Pensioen

Na een dienstverband van bijna vijfenveertig jaar in dienst van de gemeente Assen, zijn geboorteplaats, heeft de heer Johannes Somer gistermiddag afscheid genomen van het gemeentebestuur en het secretariepersoneel.
Burgemeester G. Grolleman sprak lovende woorden tot de heer Somer, die niet slechts een baan maar ook een taak heeft verricht en dat in een sterk veranderende tijd.
Met het afscheid van de heer Somer achtte de heer Grolleman een tijdperk afgesloten. Een tijdperk waarin een zekere willekeur plaatsmaakte voor rechtszekerheid voor de ambtenaren.
Als waarnemend lid en - vijftien jaar lang - als lid van het georganiseerd overleg heeft de heer Somer daaraan zijn bijdrage geleverd Ook als verzekeringsman in het groot heeft de heer Somer gemeente en gemeenschap goed gediend.
Preken. We zullen u missen om uw eigen geluid en uw eigen opstelling verzekerde de burgemeester de scheidende ambtenaar die de preadviezen gaat verwisselen voor de preken.
En die na 44 jaar werk voor het tijdelijke de moed heeft om te gaan werken voor het eeuwige en daar anderen in te laten delen.
Als blijk van waardering overhandigde de burgemeester de heer Somer twee geschenken. Namens het gemeentepersoneel sprak gemeentesecretaris H. J. Boerema. Sinds 1807, het jaar waarin een Somer uit Zwolle zich hier vestigde heeft onveranderd een Somer een band gehad met de gemeente Assen In de 44 jaar dat de scheidende heer Somer gewerkt heeft in dienst van de gemeente, is er meer veranderd dan in de 200 honderd voorgaande jaren. Tegenover zwijgplicht en volgzaamheid staan nu medezeggenschap en inspraak. Hoewel de heer Somer wel de ontwikkelingen bijhield, kon hij zich staande houden door dienstvaardigheid en optimisme. Door zijn dienstvaardigheid ten opzichte ven de collega's heeft hij heel wat mensen uit de moeilijkheden geholpen. Daarom dankte hij hem namens allen en gaf hij die dank gestalte in een geschenk in enveloppe.
Ir. J. Bregman prees bij het afscheid het vermogen van de heer Somer om voorstellen van de dienst Gemeentewerken zodanig onder woorden te brengen, dat de raad nog nooit een preadvies had afgewezen. Hij overhandigde namens zijn dienst een boekenbon. Mr. E. Meestra, chef afd. Algemene Zaken en Onderwijs chef van de "gaande man" haalde herinneringen op aan de 24 jaar die ze samen hebben gewerkt. Daarin had hij de heer Somer leren kennen als een, plichtsgetrouw en opgewekt man, die soms ook "een vulkaan gelijk" was. Namens het personeel van de afdeling overhandigde hij de natuurliefhebber Somer een verrekijker die te pas zal komen op diens reis naar Odessa. De mooiste tijd was die van de wederopbouw, tot 1952, overzag de heer Somer in een dankwoord zijn dienstjaren.
Hij wenste wijsheid en kracht aan b en w en aan de collega's die nog in de loopbaan zijn. En aan de gemeente Assen alle goeds, want ze is het waard dat men zich voor haar met volle energie blijft inzetten.

Toespraak Mr. Meestra.

Mijnheer Somer, mevrouw Somer en verdere familie, dames en heren,

Mede namens alle medewerkster en medewerkers van de afdeling algemene zaken wil ik u, mijnheer Somer, bij gelegenheid van uw pensionering allereerst van harte gelukwensen met het feit, dat u in zo'n goede gezondheid uw pensioengerechtigde leeftijd hebt mogen bereiken. Dat men op 65 jarige leeftijd nog zo vitaal is naar lichaam en geest begint zowel in de bestuurlijke als in de ambtelijke sector in toenemende mate tot de uitzonderingen te behoren.
Vandaag is het dan de dag, mijnheer Somer, waarop uw loopbaan op de gemeentesecretarie van Assen officieel wordt beëindigd. Daarmee hebt u er dan zo ongeveer 44 jaar opzitten.
Van die 44 jaar heb ik persoonlijk er zo'n 24 jaar meegemaakt. Onwillekeurig komen op een dag als vandaag uit die periode weer herinneringen naar boven.
Wat mij van dat eerste jaar is bijgebleven, ik was toen betaald voluntair op interne zaken, was, dat u eens op de typekamer kwam, die toen nog aan de voorzijde van de voormalige kloosterkerk was gevestigd. Daar was toen reeds Popken werkzaam, een goede turner, die zo nu en dan wel eens een hoogstandje maakte. Men kreeg u zover het ook eens te proberen. Het lukte met hulp en met steun bleef u staan! U werd echter zolang op de kop gehouden, dat u uiteindelijk schreeuwde: "jullie vermoorden mij!"
Al spoedig zaten wij samen op de afdeling financiën, waar u reeds lange tijd werkte. In 1955 gingen we weer uiteen: u naar de afdeling V. O. B. (Volkshuisvesting, Openbare orde en Bedrijven) en ik naar de afdeling onderwijs en personeelszaken.
In 1960 kwamen we echter weer samen en wel op de nieuw gevormde afdeling Algemene zaken.
We kregen een onderdak in het voormalige pand van leerhandel Loman. Vijftien jaren hebben we dan ook nauw samengewerkt. Ook de andere collega‘s, de een wat langer dan de ander hebben u meerdere jaren meegemaakt. Helaas heeft een van uw medewerkers en wel hij die ook reeds op de afdeling V. O. B. met u werkte, uw afscheid niet meer mogen meemaken.
In al die jaren hebt u, mijnheer Somer, zich laten kennen als een plichtsgetrouw en opgeruimd mens. Eén van uw gezegden was dan ook "Humor moet er zijn". U had soms echter ook andere stemmingen, dan die met humor samengaan. U had dan meer iets van een vulkaan, die tot uitbarsting kwam.
En u deed het gezegde "de morgenstond heeft goud in de mond" dan bepaald geen eer aan. Want het was opvallend, dat zulks nogal een 's morgens meteen om acht uur gebeurde. U kunt zich voorstellen, dat door zo'n eruptie in de morgenstond het dagen van de nieuwe dag voor uw argeloze collega's wel eens wat abrupt deed verlopen. De aanleiding voor uw temperamentvol reageren zochten wij dan wel eens in de nieuwsberichten van half acht of in het resultaat van een al te progressieve autoriteit. Maar eerlijk is eerlijk de bui bleef meestal niet lang hangen. De werking van de lijfspreuk "Humor moet er zijn" kreeg weldra weer de overhand.
Wat uw werk betreft, kan ik zeggen dat ongeveer 5000 woningwetwoningen op papier door uw handen zijn gegaan. Ook werden alle infrastructuur verbeterde voorzieningen en alle werken in het kader van de verbetering van de werkgelegenheid administratief door u afgewikkeld.
Daarnaast verzorgde u de verzekering van het gemeentelijk autopark en de vervoermiddelen van uw collega's met de daaraan verbonden behandeling van schadeaangiften. U hebt dat steeds met ambitie en zorg gedaan. In dit verband mag wel worden vermeld, dat u zelf nog nimmer schade hebt veroorzaakt. Maar op zich genomen is dat ook geen wonder, want u liet zich als een vorst achter in de Opel Kapitän gezeten rijden. Tenslotte heeft u zich voor degenen, die aanspraak konden maken op huursubsidie bijna onmisbaar gemaakt. Wij zullen dan ook nog vaak moeten horen: "Mogen wij de heer Somer, het gaat om huursubsidie".
Thans mijnheer Somer, moet u uw werk achterlaten: anderen gaan uw werkzaamheden overnemen. Zelf zult u op andere wijze uw dag moeten vullen. Gelet op de vitaliteit en interesses zal u dat echter best lukken. Het in goede gezondheid kunnen terugzien op een arbeidzame periode van 44 jaar ten dienst van de gemeenschap mag u tot voldoening strekken. U hebt in die periode wat de rechtspositie van de overheidsdienaar aangaat een hele ontwikkeling kunnen meemaken. Ik zou haast durven zeggen van de dank u wel ambtenaar tot de ambtenaar met een stevige rechtspositie met een waardevast pensioen. Dit laatste wil echter niet zeggen dat het ambtenaarschap aan minder aantrekkelijke ontwikkelingen in onze maatschappij geen boodschap zou hebben. In dit verband wil ik een paar citaten geven uit het werkje van Phil Bosmans "Vitaminen voor het hart", waarin onder het motto "De mens is geen machine" het volgende wordt gesteld: "In deze tijd van computers en elektronische apparatuur, loop de mens gevaar gereduceerd te worden tot een robot die perfect gemanoeuvreerd kan worden en die tot in de perfectie de gegeven richtlijnen uitvoeren.
Al de maatschappij mensen bedreigt, moeten de mensen elkaar redden." En vervolgens: "de grote wereld heeft namelijk alleen oog voor grote dingen, dingen die opvallen, dingen die op de moderne waardeschaal doorwegen: de carrière, de eer, het fortuin! Er wordt niet gevraagd naar je goedheid, je eenvoud, je dienstbaarheid, maar naar je universiteitstitel, je diploma, je prestatiedrang, je ambitie, je wetenschappelijke en technische waarde. Men vraagt naar de technisch wetenschappelijke mens, die past in het kader. Zoveel mogelijk immuun voor menselijke gevoelens als medelijden, begrip, aandacht voor noodlijdenden, zorg voor anderen. Dit is het gevaar, dat ons bedreigt in deze overgeorganiseerde en over geadministreerde maatschappij. De computer houdt geen rekening met het hart."
Einde citaat. Naar mijn mening worden hierin toch wel een paar rake typeringen gegeven van een stuk problematiek uit onze huidige samenleving, dat evenzeer het ambtenaarschap raakt. Maar genoeg hierover, de jongere garde moet zich met de oplossing van dit soort vraagstukken maar eens ernstig bezighouden. U, mijnheer Somer, moet maar rekenen, dat u uw beslommeringen daarmee achter u hebt.
U zult zich stellig liever in de theologie gaan verdiepen. Zoals ons bekend boeit u dat bijzonder. Over het verticale of het iets meer horizontale daarin zullen we nu maar niet redetwisten. Hoe het ook zij, ik ben er van overtuigd, dat u uw studie voor catecheet zult afronden.
U bent ook een liefhebber van de natuur en trekt er graag op de fiets op uit. Van het schoons dat u op uw fietstochten in de natuur beleefde en zag mochten wij vaak vernemen. Eén van de eerste dingen die u straks gaat doen is reizen. Het zal opnieuw een cruise zijn: ook dit keer weer via de Adriatische Zee naar de Middellandse Zee en via de Dardanellen en de Bosporus naar de Zwarte Zee. Ongetwijfeld valt dar veel schoons te bewonderen en zeker zullen er panorama ‘s zijn, die u graag dichterbij zou willen halen. Een middel daartoe willen wij u als collega ‘s van de afdeling algemene zaken en onderwijs en mede uit naam van oud collega Beckeringh hierbij graag aanbieden. Daaraan de wens toevoegend, dat u met uw vrouw nog vele goede jaren mag beleven te midden van uw kinderen en kleinkinderen.

Toespraak Johannes Somer

Geachte aanwezigen!

Bij de viering van mijn veertigjarig ambtsjubileum, dat nu alweer ruim vier jaren is geleden, heb ik de wens uitgesproken om in gezondheid en op een prettige wijze aan het einde van mijn ambtelijke loopbaan van u afscheid te mogen nemen.
Helaas is deze wens niet geheel in vervulling gegaan omdat wij onlangs in onze ambtelijke wereld werden geconfronteerd met het “mysterie van leven en dood”. Wij zien hieruit hoe bros en vergankelijk ons menselijk leven is en herinnert me aan de woorden van de Psalm dichter: "in de ochtendstond bloeit het nog, het verandert en des avonds is het afgesneden en verdort het".
Hoewel ik mij zo goed mogelijk op mijn afscheid heb voorbereid, begrijpt u best, wanneer je ruim 44 jaren of ruim 2/3 deel van je leven met de gemeente Assen verbonden bent geweest, er bij het einde van je ambtelijke loopbaan bepaalde gevoelens en gedachten in je opkomen.
Je moet je van een gegroeide band losmaken, waarmee je zeer lang en intensief verbonden bent geweest.
Van actief medewerker word je toeschouwer en je hebt dan, zoals men dit pleegt te zeggen je loopbaan beëindigd of uitgelopen. Ik heb me nog eens beziggehouden met de oorsprong van het woord “loopbaan” en de betekenis hiervan in onze taal.
Gaarne zal ik het u eens verklaren maar we moeten dan wel 2700 jaren terug gaan, een tijd dus waarin in ons gewest de hunebedbouwers verbleven. In die tijd kende men in het oude Griekenland reeds de zogenaamde Pan-Hellenistische spelen. Dat waren weergaloze cultuur evenementen waar niet alleen de sport maar ook toneel werd beoefend.
De oorlogen tussen de Grieks stadstaten werden er om opgeschort. De kern van die spelen waren de hardloopwedstrijden. Op een (loop)baan. De jonge atleten moesten zich niet alleen terdege inspannen om de wedloop te winnen, maar moeten bovendien een maandenlange strenge training ondergaan, welke gepaard ging met een volledige onthouding van wijn en seks. Pepmiddelen kende men toen nog niet. Het was een volmaakt evenwicht tussen geest (psyche) en lichaam, waarin de oude Grieken zulke grootmeesters waren. Kunnen wij mensen van 1975 hen dit nazeggen? Maar de jonge atleten wisten ook, dat – hoewel velen aan de wedstrijd deelnamen – slechts één van hen de PRIJS kon winnen.
En waaruit bestond die PRIJS? Slechts uit een simpele lauwerkrans van olijfbladeren! Hoe en van welke kant wij onze levensfilosofie ook bezien, het gaat altijd om een lauwerkrans waar slechts één persoon zich als overwinnaar aan de finish kan laten omkransen.
Voor mij is deze dag de "grote prijs" het feit, dat ik de loopbaan heb mogen en kunnen uitlopen en omringd door mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen, afscheid van u mag nemen. Daarvoor ben ik dankbaar. Dat u in zulk een grote getale hiervan getuige hebt willen zijn stemt mij tot grote vreugde.
De jaren die ik heb mogen werken waren niet altijd de gemakkelijkste. Het is begonnen met de crisistijd in de dertiger jaren. Daarop volgend kregen we vijf jaren van bezetting in het begin der veertiger jaren. En daarna de periode van wederopbouw. Wanneer u aan mij de vraag zou voorleggen welke jaren waren nu de mooiste uit de loopbaan dan wijs ik als zodanig aan – ondanks de soberheid en de ontiegelijk vele en moeilijke problemen er in – de wederopbouwperiode die direct na de bevrijding is begonnen.
Er kwamen toen problemen zaken en wensen aan de orde welke jaren gesluimerd hadden. In verband met de ontzettende woningnood stond uiteraard hierbij de woningbouw centraal, waarmee ik dadelijk veel bemoeienis kreeg en dit si tot het einde van mijn loopbaan zo gebleven.
Het grote probleem was niet alleen de bouw of de kwestie van de bouwmaterialen, docht in het bijzonder de financiering! Wij waren straatarm en om dit nog eens voor u te illustreren citeer ik oud minister Stikker, minister van buitenlandse zaken in het kabinet Drees – van Schaik, in zijn memoires: "Op 1 januari 1948 had de Nederlandse Bank nog slechts 50 miljoen gulden in kas en moesten de importen drastisch worden beperkt".
De architecten van het nieuwe Europa, zoals de Fransman Schuman, de Engelsman Bevin, de Nederlander Stikker en later de Duitse Adenauer, moesten nog beginnen om het gebouw van het Verenigd Europa op de puinhopen van het oude Europa op te trekken. Dankzij de Amerikaanse Marshall hulp waarvan we gedurende de jaren 1948 tot en met 1953 vier miljard gulden ontvingen, hebben we het kunnen redden en waren daardoor reeds in het jaar 1952 de grootste moeilijkheden overwonnen. Uiteraard waren daarmee niet alle problemen opgelost.
Ik neem afscheid in een tijd waarin de moeilijkheden zich weer opstapelen en we weer een werkloosheid kennen die zelfs groter is dan die tijdens de zogenaamde en beruchte Korea crisis in het jaar 1950.
Onlangs schreef Ton Blanken, de bekende televisie commentator in "Cobouw Magazine": "de problemen stapelen zich op, ministers en ambtenaren werken zich er kapot op". Dat geldt overigens voor een ieder die bij het openbaar bestuur betrokken is. De grote moeilijkheid is, aldus Blanken, om de enorme structurele problemen tot handelbare zaken terug te brengen en deze dan ook te kunnen toepassen en bestuurlijk te vertalen. We zitten weer in de loopbaan! Dat vereist van ons allemaal inspanning en offerbereidheid!. Het gaat tenslotte weer om de prijs! Maar slecht één kan de prijs winnen! In de Griekse oudheid, ik zei het u al, was die prijs een lauwerkrans. Maar waaruit zal de prijs thans bestaan?
Daarom wens ik u, geacht college, alle wijsheid en kracht toe ten aanzien van het volbrengen van de aan u opgedragen taak. Uiteraard geldt dat ook voor u collega ‘s die nog volop aan de wedstrijd meedoen.
Verder wil ik het college nog danken voor de mij aangeboden afscheidsreceptie, de vriendelijke woorden door allen tot mij gericht. Ook hen die mij altijd terzijde hebben gestaan wil ik hierin betrekken, zoals de telefoniste, de boden, de typistes, de afdeling interne zaken en zeker de afdeling personeelszaken die altijd mijn materiële zaken heeft behartigd.
Tenslotte wens ik de gemeente Assen, als zodanig, alle goeds toe, want onze goede stad, waar ik voortaan als burger toeschouwer hopelijk nog lang zal mogen blijven wonen, is het waard dat u zich allemaal daarvoor met alle energie blijft inzetten!
Ik heb gezegd.

Een van de 1200

"Ik ben eigenlijk de laatste ambtenaar van het vooroorlogse regiem", zegt J. Somer, beleidsmedewerker van de afdeling algemene zaken, 64 jaar oud, "het soort ambtenaar, dat zich nog volledig bewust is van zijn dienende functie". "In de vooroorlogse tijd kende je geen bestuursschool of dergelijke opleidingen. Je werd gevormd door de oudere ambtenaar en, natuurlijk, ook door de bestuurder. De dienende taak van de ambtenaar heb ik altijd ontzaglijk belangrijk gevonden. Ik heb wel eens het idee dat men zich daar tegenwoordig te weinig van bewust is. Geloof ook dat de burger te weinig als mens benaderd wordt. Ik hecht zeer veel waarde aan de "dialoog", als het als mens tegenover mens staan. En dat vind je te weinig in deze koude zakelijke tijd."
"Het gezin waar ik uit voortkom zou ik als "artistiek" willen bestempelen. Er werd bij ons thuis enorm veel gemusiceerd. Mijn moeder was een zeer charmante en artistieke vrouw. Het was een heel degelijk gezin, waar men erg hechtte aan tradities. Ikzelf hecht ook erg aan tradities. Stijl vind ik belangrijk. Misschien interesseer ik mij daarom ook zo voor de klassieke oudheid."
"Ik was de jongste thuis, ben overigens beslist niet verwend. Had twee broers, waarvan er een later concertmeester is geworden en de andere, die nog leeft en nu 75 is, een heel bekend man in het verzet is geweest. Na mijn schoolopleiding, heb ik nog een paar jaar buiten Assen gewerkt. In 1931 kreeg ik de kans in dienst te komen bij onze gemeente. Bij de ophaal- en stortingsdienst. Ja, wat verdiende je toen. Ik herinner mij dat een gemeentetimmerman toen ruim duizend gulden per jaar verdiende, terwijl de burgemeester op f 5.500,- kwam. Zelf ben ik begonnen met een jaarsalaris van f 775,00. In 1936 werd ik overgeplaatst naar de secretarieafdeling sociale zaken. Ik kreeg daar te maken met de steunverlening en de werkverschaffing. Je werd door dat werk natuurlijk enorm geconfronteerd met de ellende van de crisisjaren. Toch was je toen eigenlijk veel minder kritisch dan men tegenwoordig is, hoewel je veel armoede zag. Je aanvaardde de dingen en probeerde als ambtenaar te doen wat je kon. Maar dat opstandige wat je tegenwoordig zoveel ziet, dat was er niet, hoewel er toen eigenlijk veel meer aanleiding toe was."
"De oorlogsjaren waren voor ons gemeenteambtenaren een spannende en vaak moeilijke tijd. Je kreeg een N. S. B. bestuur, waardoor er toch wel veranderingen optraden. Als ambtenaar probeerde je natuurlijk de scherpe kantjes eraf te krijgen, waardoor je natuurlijk nogal wat risico's liep. Zelf kwam ik in 1942 op de afdeling financiën terecht. Heb daar ik tot 1955 gezeten."
"De bevrijding betekende aan de ene kant natuurlijk een enorme opluchting, maar aan de andere kant kreeg ons land met enorme problemen te maken. Het land was straatarm, er was bijna niets en wij werden geconfronteerd met de woningnood. Via mijn werk op financiën had ik te maken met zaken als woningbouw en huisvesting. Waar ik niet zo in geloofde dat waren al die plannen die je vlak na de oorlog had om te komen tot maatschappijvernieuwing. Ik geloof er niet in dat je de maatschappij op zich kunt vernieuwen. Je zult de mens moeten vernieuwen. En de mens is niet zo gemakkelijk veranderbaar. De mens manipuleert graag en is toch vaak tot het kwade geneigd. Daarom vind ik het ook zo belangrijk dat een volk geleid wordt. En onder een echte leider versta ik iemand die van een rotte situatie toch iets weet te maken. Na de oorlog hebben wij die gekend, echt grote leiders. Ik denk aan mensen als Drees, Adenauer en Bevin. Dat missen wij in deze tijd, grote leiders. Er wordt maar gepolariseerd, maar het goede in de mens, ik zou zeggen het vermogen om in een dialoog te treden met zijn medemens, geeft niet thuis."
"In 1955 kwam ik terecht op de afdeling Volkshuisvesting, Openbare werken en Bedrijven (VOB). Later werd dat de afdeling Algemene zaken. Op deze afdeling kreeg ik te maken met zaken als huursubsidies, verzekeringen, bedrijven en woningbouw. Als beleidsambtenaar ben ik altijd de man geweest van de openheid. Ik heb er nooit voor gevoeld om iets voor de raad achter te houden. Want als ambtenaar zit je natuurlijk toch in een machtspositie, je beschikt over veel informatie en als je wilt manipuleren kun je dat natuurlijk doen."
"Wethouder Berger was een man waar ik goed mee overweg kon. Wij waardeerden elkaar. Hij was eigenlijk een echte regent. Een man die niet gepasseerd wenste te worden." "Als ambtenaar ben ik eigenlijk een buitenbeentje. Ik ben één van de weinige secretarie ambtenaren, die nog op normale wijze zijn pensioen haalt. Ik vind ook dat de mensen tegenwoordig wat slap zijn. Men blijft wel eens gemakkelijk ziek thuis. Wat ik mis bij veel mensen is dat "kleine plusje", of zoals ik het altijd noem, "dat laatste piezeltje vitamine". Dat heb ik zelf geloof ik wel en daarom kon ik het misschien ook opbrengen om op mijn zestigste nog de opleiding theologie te gaan studeren aan de universiteit. Heerlijk, om zo samen met die jonge knapen in de collegebanken te zitten. Op dit moment ben ik bezig met de opleiding tot catecheet, uitgaande van de Raad van Kerken. Deel één van de opleiding heb ik al. Met deel twee ben ik bezig. Ik vervang nu regelmatig bij predikbeurten."
"Ik heb mij geprobeerd zo bewust mogelijk op mijn pensionering voor te bereiden. Ben ook naar de cursus "pensioen in zicht" geweest. Ik zal de vele contacten die ik via mijn werk heb natuurlijk wel missen. Stilzitten zal er hopelijk niet bij zijn. Ik hoop veel te gaan reizen, heb trouwens heel Europa al doorgereisd, ben zelfs in Israël geweest." "Als ik de zaken op een rijtje zet, mag ik niet klagen. Heb een mooie ambtelijke loopbaan gehad en heb mij in veel dingen kunnen verdiepen, Ik voel mij verder nog kerngezond. Nee, de balans slaat duidelijk door naar de positieve kant. Al moet ik wel eerlijk zeggen dat ik deze tijd niet zo prettig vind. Het is allemaal zo hard en zakelijk, Ik ben een meer romantisch mens, die houdt van de klassieken. En van de dialoog van mens tot mens. En dat mis je tegenwoordig."


HOME