Jagt-Causerie

Uit Drenthe

wolven Onder dit opschrift bevat de Nieuwe Rotterdamse Courant een feuilleton, waaraan wij het volgende ontlenen: 1)
Drenthe bood altijd een jagtveld bij uitnemendheid aan en is het waarheid dat Ezau de eerstgeboren zoon van aartsvader Izaak geen enkele dag uit het veld bleef, ook hier werden eertijds Ezau's gevonden, die geweldige jagers mogten worden genoemd. Drenthe was voor eeuwen, boschrijk en daar de bodem niet aan de vloed der zee onderhevig was, vond het wild er een veilig domein. Grof en klein wild was hier, nu meer dan 9 eeuwen geleden, in overvloed.

En gaat men nog zooveel eeuwen terug, dan vindt men hier des winters de Friezen, het water ontvlugt, voedsel en kleding zoeken onder de dieren en vogels des velds. Voor een ruwe Germaan was de jagt behoefte - voor Vorsten, heeren en hovelingen in tijden van meer beschaving, eene uitspanning. Daar alzoo reeds vroeg aan 't jagtbedrijf groote waarde werd gehecht, ontstond als van zelf het jagtregt, 't welk onderscheiden werd in hooge en lage jagt. 't Grover of hooge wild behoorde tot de eerste - vossen, konijnen en ander klein wild tot de laatste. 't Grove wild was gesteld onder bescherming der Duitsche Keizers of van hunne leenmannen, als heeren over deze landstreken het bewind voerende.
De Utrechtsche Bisschoppen waren reeds in 't bezit van het hooge regt.

Keizer Otto I begiftigde een tijdelijke Bisschop van Utrecht met het uitsluitende regt over de jagt in het Goorecht en in het bosch van Vollenhoven, en zonder toestemming van dien Kerkvoogd mogt er niemand jagen op herten, beeren, wilde zwijnen, wilde geiten enz. Die diersoorten waren toen eetbaar.

Roofdieren waren, als vervolgers van mensch en vee en als vernielers van het groote en kleine wild, schotvrij.

Toen waren er ook wolven in Drenthe en deze rigten dikwerf veel schade aan onder de schaapskudden. 't Sprak van zelf, dat men maatregelen moest nemen tegen die verscheurende gasten en uit documenten, nog genoegzaam voorhanden, blijkt dat gedurig officieel wolvenjagten werden uitgeschreven, soms vier of meermalen des jaars.

Dat gaf dan eene ongewone beweging onder de bevolking, die in massa (1 of 2 weerbare mannen uit elk gezin) werd opgeroepen. Als krijgslieden in corpsen afgedeeld en aangevoerd door de Schulten (burgemeesters) en anderen, daartoe gekozen, werd er dan eene monster drijfjagt op de wolven gehouden. Met trommelslag en andere geraasmakende voorwerpen trokken de jagers corpsen over weg en steg, naar vooraf aangewezen punten, sloten zich daar aan elkander en rigten hun marsch naar het hoofdpunt, door een kolossaal baken aangeduid.

Zoo werden de wolven in den zich steeds vernaauwenden kring van jagers naar het centrale punt gedreven en dan afgemaakt.
't Moet een interessant gezigt geweest zijn, de elk oogenblik herhaalde, soms vermetele poging van de gejaagde dieren, die wel begrepen, dat hun leven ermee gemoeid was om den voor hen zoo noodlottigen cirkel door te breken en zoo in 't vrije te komen, en verschrikkelijk is voorzeker het geraas en geschreeuw geweest van hen, die het ondier op zich zagen toekomen, teneinde links en regts van zich afbijtende, een opening te maken, waardoor het zou kunnen ontkomen.

En wat de moed en de stoutheid der jagers verhoogde, was de premie van Regeringswege op het dooden van een wolf gesteld, gelijk ook de noodzakelijke kosten der drijfjagt door de Landschapskas werden gedragen.

Zoo werd in 1606 voor het afmaken van een wolf aan de ingezetenen van Hijken en Ees in de nabijheid van Assen gelegen, aan de eerste f 30,00 voor 't vangen van negen en aan de laatste f 20,00 voor 't vangen van zes jonge wolven gegeven; ontvingen de broeders Dirk en Albert Jansen te Zuidwolde eene som van f 35,00 als premie voor zeven jonge wolven, terwijl aan Albert Nijsingh en consorten wonende te Leggelo, gelijke som werd uitbetaald voor twee jonge wolven, ter naauwernood halfwassende en die in de College - zaal van Drost en Gedeputeerden te Assen gepresenteerd werden. De één was dood - de ander levend.

In 1643 bedroeg de premie op een ouden wolf gesteld f 100,00 en een jongen f 25,00. Was er in 1608 een plakkaat op de wolven-jagt uitgevaardigd - in 1683 werd eene Verbeterde Ordonnantie op de jagt publiek gemaakt, welke in kracht bleef zolang er wolven waren.

In de 17e eeuw en vooral in 't eerste gedeelte daarvan, werd Drenthe zeer door die verscheurende dieren geplaagd, maar van 1666 tot 1679 schijnt hun getal verminderd te zijn. In de volgende jaren, van 1679 tot 1688, vermenigvuldigen zij echter weder, tot grooten last der bewoners van het landschap.
Volgens officiele stukken hield men wolvenjagten:
  1. Op 10 oktober 1736. 't Centraal punt was toen in 't veen tusschen Witten, Hoogersmilde en Veenhuizen.
  2. Op 17 oktober 1737. 't Centraal punt was eene hoogte achter Westervelde, gemeenten Norg bij de Friesche grenzen.
  3. Op 25 oktober 1737. 't Centraal punt was een baken op de heide, tusschen Rolde en Gieten.
  4. Op 15 augustus 1739. 't Centraal punt was een baken, nabij de Moordkuil of het Kweekenbosch op 't Ellersveld.
  5. Op 17 augustus 1739. 't Centraal punt was op bovenstaande plaats.
  6. Op 21 september 1740, 17 mei 1758 en 19 september 1772 op dezelfde plaats.
Bij de jagt in 1758 maakte men zich meester van een grooten ouden wolf en werd de premie daarvoor uitbetaald aan Jan Bazuin, Koop Beninge, Hendrik Leninge en Gerrit Kuik, allen wonende te Holten gemeente Beilen.
De wolf, 19 september 1772 in de nabijheid van Dwingelo opgejaagd, wist zijne vervolgers te ontkomen en daarmede namen de officiële wolvenjachten een einde.

Thans heeft men in Drenthe nog wel eens vossenjagten en die worden door liefhebbers en belanghebbenden georganiseerd, als Reintje het, in de buurt van dorpen en gehuchten, al te bont maakt. Wordt zulk eene jagt met succes bekroond, dan draagt men den gesneuvelde plegtig het hoofdkwartier der jagers binnen en 's avonds wordt in de dorpsherberg aan vrienden en bekenden tot in de kleinste bijzonderheden verhaald hoe en waar de ontzielde alias werd opgespoord en op welke wijze hij aan zijn einde kwam.Dat hierbij een extra-ordinair glaasje gedronken en menig oud verhaal opgewarmd wordt, dat daarbij nu en dan niet 'gelogen' maar 'onjuist' gesproken wordt, en menige kwinkslag de jagtavonturen lardeert, is wel te gelooven.

Reintje heeft op die soirée eene eereplaats en als men door handtasting zich niet ten volle overtuigd hield, dat de slimmerd pier-dood was, zou men nu en dan meenen dat een spotachtig lachje om zijn snuit trok over de bravoure van hen, die hij zoo dikwijls om den tuin had geleid en over de statistieke opgave van de schade die hij onder het dorps-kippendom had aangerigt.

Slechts in een gedeelte van Drenthe viert men den feestdag van St. Hubertus, den patroon der jagers op nog eigenaardige wijze en wel in het Zuidenveld. Op dien dag verzamelen zich de liefhebbers uit den omtrek en gaan gezamenlijk ter jagt. 't Is als het weer ook feestelijk gestemd wil zijn een vrolijke dag en tegen den avond, het aangenaame dorp Dalen het rendez-zous van allen die aan de jagtpartij deelnamen. Is alles present bij het appel general, dan worden de weitasschen geledigd, doet hij die ten vorige jare het meeste wild schoot en tot Koning was geproclameerd, afstand van zijne waardigheid en geeft kroon en schepter aan hem, die nu de gelukkigste jager was, over, en wordt het wild stuksgewijse onder elkander verkocht, terwijl de opbrengst bestemd is tot goedmaking van de kosten van het diner, 't welk allen, vol levens- en jagerslust, toelacht.

Onder luim en scherts wordt vervolgens de St. Hubertus-avond doorgebragt, oude en nieuwe anecdoten kruiden de maaltijd, verzen worden er geciteerd, jagt vertelsels gedebiteerd en soms gebeurt het, dat de overgebleven langoren weer over koren- , esch en heideveld huppelen, het konijn zijn hol verlaat en de patrijzen vrolijk en vrij hunne liefste plekjes opzoeken, als hunne gezworen vijanden, de Heeren der Schepping, bij 't klinken der bokalen nog een loflied aanheffen ter eere van St. Hubertus.

Mogt een onzer dichters, dit Feuilleton lezende, opgewektheid gevoelen om de jagers van het Zuidenveld op den eerstkomenden St. Hubertusdag met een toepasselijk vers te verrassen, dan zou op den feestavond plegtig worden verklaard, 'dat hij zich verdienstelijk had gemaakt jegens de Drentsche Ezau's', en met volle glazen zou het door de zaal klinken: 'hij leve!'

Ook in de hoofdstad dezer Provincie kon zeer goed een jagers-bond opgericht worden.

't Getal van hen die hier en in de naasten omtrek vriendschappelijk in de genoegens van de jagt mogen deelen is groot genoeg, om eene Vereeniging te constitueren, welke aan de jagt, dat echt Drentsche bedrijf, iets eigenaardigs kon bijzetten en in sommige gevallen als corporatie ook wel iets goeds, wat de uitoefening van het bedrijf betreft, tot stand zou kunnen brengen.

Wij verspreiden dit denkbeeld onder onze Nimrods en voegen er alleen nog bij, dat deze dagen een kleine kring van jagers en genoodigden zich in het Concerthuis van den heer Schut om den disch schaarden, die het edelste van het jagtveld aanbood. Korhoen en gans en patrijs vertoonden zich daar, na eerst met meesterlijke kunst geprepareerd te zijn, in hun natuurlijken dosch en zeer coquet tevens, voor het aangezigt hunner vervolgers, en schenen niet eens te weten dat zij gebraden waren of dat althans vergeten te hebben. 't Was alsof zij zich met genoegen offerden aan hen die zij voorheen zoo dikwerf waren ontvlugt en 't kostte den meest gastronomischen lust eenige moeite dat letterlijk gevleugeld en gevederd gebraad te trancheren, maar ook deze operatie werd zoo galant en met zooveel virtuositeit verrigt en verdere proefnemingen met zooveel lofspraken uitgevoerd, dat zelfs minder edeldenkend gevogelte zich op die wijze met stille berusting zou hebben laten eclipseeren.
Waarlijk - 't was een fijn diner.

Die het bereidden hebben bewezen, dat ook in de Drentsche hoofdstad de kookkunst tot eene wetenschap is gemaakt en dat men, om eens lekker te eten, niet naar aanzienlijker zustersteden behoeft te reizen er de priesters en priesteressen aan het altaar der tiende Muze: Gasterea, niet elders behoeft te zoeken.

Dat de wijgaard zijnen edelste sappen aan dien disch niet onthield is wel te begrijpen. Zoo werd een geheel gevormd, dat de lust moge prikkelen tot een dacapo! ook al is het Diana niet, die de gastronomen oproept.

Zulk een diner toch veredelt de eenvoudigste zaak en zoolang de herinnering daarvan leeft, blijft zij gehuwd aan den wensch om nog eens weer zoo te genieten. 2)

Dan hieronder nog een interessant artikel over de jacht in Drenthe.

Een Drentsch jager schrijft aan het Utrechts Dagblad: 3)
"De jagtdiscoursen beginnen te verflaauwen, en toch wordt er nog wel wild geschoten, vooral hazen. Er was, dit is nu overtuigend gebleken, wel wild, en in sommige gemeenten van Drenthe was het zelfs overvloedig. Gaarne zou ik u eens opgeven hoeveel hazen, patrijzen, korhoenders en snippen er door de 880 jagers in Drenthe, ongeteld de andere liefhebbers uit andere provincies, wel geschoten en voor verreweg het grootste gedeelte naar het zuiden verzonden zijn, maar ik durf, zelfs niet bij benadering, een cijfer te noemen.

Daar men in den laatsten tijd meende te bespeuren, dat ook de vossen op buitengewone wijze aan de jagt deelnamen, en bij nacht en ontijden hazen, patrijzen en kippen verschalken, besloot men hier en daar om eens eene klopjagt te houden, en men deed het niet zonder gevolg. De dood van elk reintje werd in de Drentsche Courant behoorlijk aangekondigd en de bijzonderheden van zijn laatste levensuren getrouwelijk vermeld, tot stichting van het jagtlievend publiek.

't Zijn looze gasten die vossen, en opmerkelijk is de inrigting van het hol, waarin zij zich voor het oog der wereld verschuilen, hunne jongen ter wereld en groot brengen.

Men heet wel eens zoodanig onderaardsch hol gevonden, 't welk de grootte had van eene gewone huiskamer, in drei vertrekken verdeeld. Een daarvan is het gewone vertrek, de daagsche kamer, tevens salon, het tweede de kraamkamer en het derde no. 100. 4) De correspondentie tusschen de drie vertrekken is geopend door verschillende pijpen of tunnels, zoodat hier het spreekwoord waarheid wordt; hij is voor één gat niet te vangen. Die zulk een onderaardsch verblijf mag binnentreden vraagt al dadelijk: hoe heeft het echtelijk vossenpaar de verbazende massa zand uit die diepte gekregen en waar heeft hij die geborgen, want werd zij in de onmiddelijke nabijheid van het hol opgehoopt dan was het al heel spoedig in 't oog gevallen en de schuilplaats ontdekt. Men vindt in hare nabijheid het uitgewerkte zand niet.

Dat nommer 100 die naam met regt draagt, wordt bij locale inspectie, op overtuigende zij het dan niet welriekende wijze bewezen, terwijl de kraamkamer er wezenlijk comfortable uitziet. De daagsche of de gelagkamer is het merkwaardigste van het hol, daar zij gewoonlijk door tal van voorwerpen doet zien, waarmede de familie déjeuneert en dineert. Zoo vond men eens in het huisvertrek in een hoek 86 poten van hazen en een gansche verzameling vlerken, terwijl verder verspreid lagen: een portemonnaie met 7 dubbeltjes en 8 centen, een leeren masschée, 8 cigarenpijpjes, een jagershoorn, een rumfleschje in gevlochten teen en een brillendoosje van hoorn.

Als de jongen eventjes loopen kunnen, brengen zij hunne ouders te hol zijnde, hun tijd in de daagsche kamer door, en schijnt de lieven zon, dan spelen zij, terwijl de oude lui op schildwacht staan, een poosje in het warme zand, voor het gemeenschappelijk verblijf. Gebeurt het nu dat iemand onverwacht nadert en vreezen zij, dat het hol ontdekt is, dan brengen zij, is het gevaar geweken, onmiddelijk hunne olijke lievelingen weg en wel op vrij verren afstand der onderaardsche woning, niet bij elkander, maar elk afzonderlijk, in een ongenaakbaar, althans afgelegen plekje. Daar bezorgen zij hen het geroofde voedsel en weldra zoekt ieder jeugdig lid der familie zijn eigen kost in hazen-leger en kippehok.
Vrij groot is het aantal vossen in deze provincie en nu en dan gelukt het den jagers, vooral in den winter, als hun poot te sporen is, een hol te vinden, en, na alle uitgangen zoveel mogelijk versperd te heben, de familie te arresteren.

Vroeger plagt men dan kort regt met hen te maken of zette de kleinen aan een ketting in een hok bij huis, maar dit duurde gewoonlijk niet lang. Was 't mogelijk dan voerden de kweekelingen dikwijls allerlei guitenstreken uit of wisten op de een of andere wijze te ontkomen, indien ze niet, na een gepleegde misdaad, met een geweldadigen dood werden gestraft.

Het lot der jonge vossen heeft echter in den laatsten tijd eene verandering ondergaan. De Engelschen, die in ons Land ontelbare dwarskijkers hebben, om ons doen en laten ons hebben en houden te bespieden, zijn eensklaps in liefde ontstoken voor de Nederlandsche vossen, doen de vierpotige guiten, met hunne schalksche oogen en prachtige staarten, levend opkoopen en naar de krijtbergen transporteeren, teneinde hen op hunne uitgestrekte landgoederen te laten vagabondeeren en hen dan, in gala - jachtpartijen, te paard te vervolgen en, als 't gelukt, dood te schieten. De jonge vossen, in het Noorden gevangen, woden onder geleide en met gepaste voorzorgen naar Harlingen geëscorteerd en per stoomboot naar hun nieuwe vaderland gebragt. De Sir's betalen hier voor een fatsoenlijk vosje f 3 à f 4 en zo werden er in 1871 ruim 180 stuks te Harlingen ingescheept. Men zegt, dat enkelen hard zeeziek werden en de oppassers hen als een probatum preservatief, bij de afrois een glaasje rum gaven, hetwelk hun goed scheen te smaken. Welligt heeft onze Koningin, die onlangs in Engeland eene grote jagt op het goed van een lord bijwoonde, mede een of meer van hare vroegere viervoetige onderdanen vervolgd.

Een Engelsch schrijver, die aardige jagtavonturen weet te vertellen, zegt, dat de Hollandsche rekel - vos elegante manieren heeft en geen huiskipje of haantje doodbijt, dan wanneer hij zelf de vrouw in bed heeft en zijne kinderen uit een hygiënisch oogpunt, malsch vlees behooren te gebruiken, terwijl zelfs een enkele bij groote jagtpartijen en ongeoefende hooge jagers zich binnen het bereik van zijne vervolgers begeeft, en, onder allerlei sierlijke wendingen, den dood te gemoet loopt, alleen om op die wijze zijn erkentelijkheid te bewijzen voor de onderscheiding, die hem te beurt valt, om door 'most honorable lords' te worden vervolg en gefusilleerd.

1) Uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 12 januari 1870.
2) In de krant van 13 maart 1874 las ik onder Assen. "Zaterdag vierden de jagers van de Vereniging 'Diana' het St. Hubertus feest en wel in het veld van Elp. Tijdens de jacht werden geschoten 1 korhaan, 36 patrijzen, 12 hazen, 2 konijnen en 1 snip. Gistermiddag(zondag) was er ten hove van St. Hubertus een gala diner van 13 couverts. Wat opgedragen werd was fijn - lekker, de wijn smaakte heerlijk en vrolijke discours en toasten, meest zinspelende de op het zo interessant jagersleven, verhoogden het genot. Even voor de maaltijd droeg de koning van het 'Diana' corps, de heer Mr. J. E. Willinge, met waardige toespraak, kroon en scepter over aan de heer Willem Somer, die 't meeste wild had geschoten en hield deze daarop kort en bondig de gebruikelijke troonrede".
3) Uit de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 26 november 1872.
4) Het toilet.



HOME