GESCHIEDKUNDIGE HERINNERINGEN

foto Aan de onderscheiden plannen, die er hebben bestaan, om een spoorweg door Drenthe te leggen en aan hetgeen is geschied, om de lijn door Drenthe te doen opnemen onder de vanwege Staatswege te leggen spoorweglijnen, gevolgd door bijzonderheden, betrekkelijk den thans bestaande spoorweg en deszelfs daarstelling door de redactie der Provinciale Drentsche en Asser Courant op den dag der feestelijke inwijding dier spoorweg 30 april 1870 hare lezers aangeboden.
Op verzoek van genoemde redactie heeft de heer mr. L Oldenhuis Gratama, lid der Tweede Kamer der Statengeneraal, te Assen, zich willen belasten met het schrijven en samenstellen van dit verslag.

In de vergadering van het Departement Assen der Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, voorgezeten door Mr. L. N Graaf van Randwijck, Gouverneur van Drenthe, van Februarij 1845, werd door Mr. L. Oldenhuis Gratama het voorstel gedaan, om aan het Hoofdbestuur op te geven de navolgende ontwerp-prijsvraag:
"De Maatschappij verlangt een overzigt van het nut, dat de aanleg van spoorwegen in de provinciën Gelderland, Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen zou kunnen stichten, in verband met de spoorwegen en den handel in Hannover; wat men van die spoorwegen zou hebben te wachten, bijzonder in opzigt tot die streken, waarin alle gemeenschap te water en kanalen tot vervoer ontbreken, welke rigting die spoorwegen zouden kunnen hebben en of het ook zaak, is spoedig tot derzelver daarstelling over te gaan."
Er ontstond over dit punt eene belangrijke discussie, waaraan toen ook de heeren Nassau, Mrs. Alstorphius Grevellnk en S. Gratama deelnamen; sommigen waren van oordeel, dat Drenthe meer behoefte had aan kanalen; anderen begrepen, dat eene prijsvraag in allen gevalle de manier niet was om spoorwegen te krijgen.
De voorzitter, v. Randwijck, oordeelde, dat Drenthe zoowel kanalen als een spoorweg moest hebben: - eindelijk werd het voorstel aangenomen, voornamelijk op de aanmerking van den voorsteller, dat in allen gevalle eene prijsvraag zoude medewerken, om de aandacht op de zaak te vestigen.
De directeuren der Maatschappij van Nijverheid, onder voorzitting van dr. J. A. van Bemmelen, gaven berigt, dat zij de voorgestelde prijsvraag zeer belangrijk achtten en dezelve zouden voorstellen.
Dezelve kwam in April voor op de punten van beschrijving der Maatschappij voor de vergadering van 15 Julij 1845, bl. 15.
In de vergadering van 17 Julij 1845 besloot de maatschappij eenparig tot uitschrijving van de prijsvraag.
Reeds dadelijk na het bekend worden der ontwerp-prijsvraag ontstond in de couranten van Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland veel geschrijf over de zaak , 't welk waarschijnlijk zeer veel nut had en zeer zeker ook heeft medegewerkt tot het ontstaan en doen rijpen van het plan-Balkema.
Het Departement Assen had daarmee zijne bedoeling bereikt, hoezeer op de prijsvraag bij de Maatschappij nimmer eenig antwoord is ingekomen.
Gedeputeerde Staten van Drenthe berigtten in hun verslag van 1 Julij 1845, dat er door 5 associatiën concessie was aangevraagd, om spoorwegen in de 4 noordelijke provinciën te leggen, dat op 3 Mei eene bijeenkomst van gecommitteerden uit Gedeputeerde Staten dier provinciën had plaats gehad en dat men, der Regering had aangeraden concessie te verleenen; de lijnen waren ontworpen ongeveer zooals, ze nu gemaakt zijn, behalve voor Drenthe, dat de weg tusschen Ruinen en Hoogeveen langs Hees loopen en over Zuid- en Noordlaren aan den weg op Delfzijl aansluiten zou.
In den herfst van 1845 kwamen de plannen van de firma S. H. Balkema en Co., die onder de mededingende concessievragers was, tot rijpheid.
Welk deel daaraan de heer v. Randwijck had, blijkt daaruit dat zijn denkbeeld: "Drenthe moet èn kanalen èn spoorwegen hebben", daarin verwezentlijkt was.
Volgens dat plan zou de spoorweg van Zwolle over Hasselt en Zwartsluis naar Meppel, vandaar over Assen naar Groningen en zoo naar Delfzijl loopen met een zijtak naar Winschoten; te Assen zou dezelve ten westen van Assen door het Stadsbosch langs de laan op de gasfabriek aanschietende, loopen en bij de Witterklap de Hoofdvaart overgaan; de voltooijing moest plaats, hebben voor 1849; een net van kanalen zou Drenthe overdekken en op eenige punten aan den spoorweg aansluiten.
Den 10 Dec. 1845 werd die concessie te 's Gravenhage door de firma Balkema en door de Ministers van Financiën en van Binnenl. Zaken geteekend.
Eenige dagen later werd de heer van Randwijck, die in den Haag geweest was, om de tot standkoming der concessie te bevorderen, feestelijk, met vlaggen en onder gejuich eener verheugde bevolking te Assen ingehaald.
Het is bekend, dat door de energie van den heer van Randwijck dadelijk in December 1845 op 3 punten in Drenthe, en wel bij Norg, Roden en Zwinderen onder Oosterhesselen de kanaalwerken begonnen zijn, welke echter reeds in den zomer van 1846 zijn gestaakt en niet weer hervat.
Den, 7 Julij 1846 berigtten Gedeputeerde Staten in hun verslag, dat de voorloopige waterpassingen uitbakeningen, plannen en bestekken met ijver werden opgemaakt.
De geldmarkt van Europa, die in 1845 ruim voorzien was, ondervond eensklaps eene daling, zoodat in 1846 en 1847 de concessie-Balkema, die aan de Londensche beurs onder gustige voorteekenen had gedebuteerd gevaar liep van in duigen te vallen.
Inmiddels was de heer, van Randwijck Gouverneur van Gelderland geworden; maar bleef hij, uit belangstelling in de zaak der Spoorwegen en kanalen in Drenthe in 't bestuur van de zaak der concessie Balmeka.
Deskundigen en in de zaak geinteresseerden hebben het bejammerd, dat de uitvoerders van de concessie Balkema, vertrouwende op de vastheid der geldmarkt te weinig voortvarendheid aan den dag legden; - hadden zij spoediger hunne maatschappij georganiseerd, de schoone concessie Balkema was, tot groot voordeel van Drenthe, voor Engels geld ten uitvoer gelegd, want de grootste bankiers en industriëlen in Londen, Birmingham en Manchester hadden hunne ondersteuning toegezegd, onder beding van leverantie.
Het baatte niet, dat de firma S. H. Balkema en Co. de namen van hunne Engelsche patronen nu en dan in de Drentsche en andere Couranten bekend maakte, de kans der geldmarkt was gekeerd; toen die weer gunstiger werd viel de aandacht der Engelschen op andere en voordeliger zaken (Rhijnspoorweg, Centraalspoorweg enz., enz.)
Het hield eenigen tijd aan, eer de combinatie Balkema de zaak opgaf.
Het scheen, dat de kanaalzaak door de Drentsche Kanaalmaatschappij zou worden overgenomen en uitgevoerd. Het is echter bekend, dat die alleen nam de Hoogeveenschevaart, met zijtakken naar Beilen en Coevorden, hetgeen toen wel het voordeeligste gerekend werd en dat de Oranje-, Noord-Willems- en Coevorder Kanaalmaatschappijen later het andere deel der kanaalzaak op zich namen.
De uitslag is bekend; maar de zucht van particuliere maatschappijen om zulke zaken tot stand te brengen was daarmee verdoofd.
Eerst bij dispositie van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 25 April 1848, no. 219, krachtens magtiging van Z. M., werd de firma Balkema en Co. van de concessie vervallen verklaard.
Vele plannen werden nu in de couranten besproken, maar kwamen zelfs niet tot eenig begin van uitvoering.
Eerst bij Kon. besluit van 24 Maart 1855 no 139, Afd. 1 B, werd aan C. S. Sixma Baron van Heemstra c. s. concessie verleend tot den aanleg van eenen spoorweg van Harlingen over Leeuwarden, Meppel, Zwolle naar Almelo en Duitschland, alsmede van Harlingen over Leeuwarden, Groningen naar Leer.
Deze concessie sloot Drenthe uit, dit was daarom te gevaarlijker, omdat de nabijheid der geconcessionneerde lijnen de mogelijkheid van spoorwegen in Drenthe scheen uit te sluiten voor immer, daar men algemeen oordeelde bij de moeilijkheid, om van particulieren geld te krijgen, dat nimmer twee lijnen in het Noorden zouden komen.
Volgens het verslag van Gedep. Staten van Julij 1856 voegde de Minister van B. Z. bij de toezending van het berigt dezer concessie (korten tijd na de verleening) aan G. S. de opmerking, dat elke poging om verdere uitbreiding aan die concessie te geven, vruchteloos zou zijn.
Mr L. Oldenhuis Gratama gaf, naar aanleiding van een en ander in April 1855 te Assen eene brochure uit, getiteld: "Bedenkingen over de rigting van den spoorweg in Friesland, Groningen en Drenthe."
Hij stelde onder anderen in die brochure voor den lijn van Meppel te leggen op Haule, als het juiste middenpunt der 3 Noordelijke provinciën en van uit dat punt lijnen op Leeuwarden, Assen en Groningen te leggen, als zoovele stralen uit het middenpunt van den cirkel, waardoor dan op eene regtvaardige en billijke wijze de belangen en de wenschen der 3 noordelijke gewesten zouden worden bevredigd.
Dat denkbeeld vond dadelijk in Groningen zooveel bijval, dat de redactie der Prov. Groninger Courant in zijn nommer van Zaterdag 28 April 1855,no. 51, 100 exemplaren dier brochure aan haar bureau ter kostelooze afhaling beschikbaar stelde; ook werd hetzelve door Prov. Staten van Drenthe, door den Gemeenteraad van Assen en door particulieren bij de regering aanbevolen.
Gedeputeerde Staten van Drenthe beweerden in hun request, dat de Regering nog vrij was in hare beschikking tot bepaling van de rigting der lijnen tusschen de hoofdpunten bij het verleenen der definitieve concessie, en hadden in Mei 1855 reeds op dien grond dit denkbeeld ondersteund.
De Kamer van Koophandel en Fabrieken te Groningen amendeerde het denkbeeld van mr. Oldenhuis Gratama, door het middelpunt der 3 gewesten in Dragten te stellen, waardoor de weg van Harlingen naar Groningen eenigszins werd verkort, bij haar adres van 2 Junij verzocht zij dit van de Regering, tevens gaf zij in dien geest eene tegen-brochure uit.
Veel geschrijf in tijdschriften en couranten was daarvan het gevolg.
De combinatie Sixma-van Heemstra ging te niet, nadat eerst de Regering tevergeefs getracht had, ook in 't voordeel van Drenthe, nog enige wijzigingen in de concessie te brengen.
De inwijding van de Hannover-Westbaan op 20 Junij 1854, het voordeel en gemak der exploitatie van die baan vermeerderden hier nog den wensch naar spoorwegen.
De Belgische combinatie Chs. Gunther, A. Bennert, Corneille David, F. J. Bennert, gerepresenteerd door den heer Lindeman van Leeuwarden, beproefde in 1856 de zaak maar slaagde niet.
In de betrekkelijke adressen van 1 Aug. 1856 was de lijn over Drenthe opgenomen.
De heeren van Naamen, van Eemnes, N. Pruimers, A. van Deventer en Zonen, firma van Esch en Co., firma Doijer en Kalf te Zwolle, beproefden nog te vergeefs de oprigting eener Nederlandsche Noord- en Oosterspoorwegmaatschappij, waarin de lijn over Drenthe niet begrepen was.
Bij besluit van 2 Julij 1856 werd door den Minister Simons namens Z. M. concessie verleend aan Gebrs. Dull te Almelo, voor spoorwegen in 't Noorden des Rijks, waarin evenmin de lijn over Drenthe was opgenomen, zijnde alleen bij art. 7 de mogelijkheid van die lijn opengehouden 1)
In de vergadering van Provinciale Staten van Drenthe van 3 Julij 1856 werd, op voorstel van Ged. Staten, een adres aan den Koning vastgesteld 2)en in die van 9 Julij d. a. v. stelde mr. J. Oosting, lid der Staten, voor, eene commissie uit de Staten af te vaardigen, ten einde Zijner Majesteits tusschenkomst in te roepen, om de lijn door Drenthe, ter voldoening aan art: 7, in die concessie te doen opnemen, waartoe benoemd werden de leden Sluis, Oosting en H.G. van Holthe tot Echten, die zich van die taak kweten en van hunne zending verslag deden, waaruit bleek, dat de Regering gezind was Drenthe te helpen.
foto Algemeen werd in Drenthe en Groningen tegen die concessie, (vermeld in de Drentsche- )en Groninger Couranten van die dagen), gerequestreerd.
Men hield het er voor, dat in de concessie Dull vele van dezelfde elementen waren als in die van Heemstra, en dat in beiden elementen waren van 't plan Balkema.
Ook de combinatie Dull bleek alras onvermogend te zijn om tot de uitvoering te komen.
Het vertrouwen op de krachten der particulieren en op particuliere Maatschappijen, om den spoorweg in 't Noorden daar te stellen, werd minder.
In Groningen en Drenthe ontstonden daarom Spoorwegcommissiën ten einde den aanleg van spoorwegen in 't Noorden te bevorderen; het was eene poging der bevolking, om zich zelf te helpen.
Er werden allerlei plannen gemaakt, om den grond gratis af te staan en subsidiën van 't Rijk, de provincie en de gemeenten te bekomen.
De Gemeenteraad van Assen benoemde eene commissie uit zijn midden van de heeren W. A. van der Felz, P. Hofstede en L. Oldenhuis Gratama; welke commissie zich in verbinding stelde met de Burgemeesters van Vries, Beilen, Ruinen, Ruinerwold, de Wijk en Dwingelo, welke gemeenten men rekende, dat door den spoorweg zonden worden doorsneden; het hoofddenkbeeld was, om te trachten de woeste gronden overal gratis te doen afstaan, 't geen in sommige gemeenten gelukte deze vereeniging, die den 28 Junij 1857 en later te Beilen bijeenkwam diende in Julij 1857 aan Provinciale Staten een request in om medewerking, waarop, op voorstel van mr. J. Oosting, besloten werd, eene commissie tot aandrang der zaak naar Den Haag te zenden, waartoe benoemd werden de leden mrs. J. Oosting, H. H. A. Sluis en N. A. Blom. Uit de deliberatiën bij Provinciale Staten bleek, dat de Regering een ton beschikbaar had gesteld voor opnemingen, waaruit tevens het tijdige der commissie voortvloeide.
Den 11 Julij 1857 nl. waren bij de Tweede Kamer van de Regering 3 wetsontwerpen ingekomen:
1e Tot verhooging van Hoofdstuk V, Staatsbegrooting 1857, tot bekostiging van voorbereidende werkzaamheden tot den aanleg van spoorwegen, waartoe dit w.o. f 1OO.000,O0 beschikbaar stelde. Het denkbeeld was: aanleg en exploitatie door bijzondere ondernemingen, maar hulp van Rijkswege. Sedert 1845 - aldus zegt de memorie van toelichting - ondervond men door concessiën teleurstellingen: het Rijk kan zich nu niet langer onttrekken, hoezeer Rijksexploitatie wordt afgekeurd; verder,(onder veel meer), de steden Leeuwarden, Groningen, Assen, Meppel, Zwolle, Deventer, Zutphen moeten met den Rijnspoorweg in verbinding worden gesteld; onder de lijnen van de 2e klasse werd daarbij gebragt onder c. Groningen, Assen, Meppel, Zwolle, met eene lengte van 99 Ned. mijlen van 1000 el; waarvan de kosten werden begroot op f 100 per el;
2e tot daarstelling van een fonds tot aanmoediging en ondersteuning van den aanleg van spoorwegen, waarvan de inkomsten werden aangewezen en waarvoor 2 1/2, 3 en 4 % Nat. Schuld zou worden gekocht, en
3e tot vrijstelling van de regten van registratie en overschrijving op de verkrijgingen bij aankoop van onteigening van vaste goederen, benoodigd voor spoorwegen.
Deze 3 wetsontwerpen, waarvan den 31 Julij afdrukken aan 't Provinciaal-Bestuur van Drenthe zijn gezonden, zijn niet eens in de afdeelingen der Tweede Kamer onderzocht.
In de vergadering van Provinciale Staten van Drenthe van 7 Julij 1858 deed de heer Abraham Roelink het voorstel, naar aanleiding van de door het Rijk gedane of te doene opmetingen, om de gronden in Meppel, Ruinen, Ruinerwold, Beilen, Assen, Vries en Zuid-laren, waarover de spoorweg zou loopen, te doen waardeeren, ten einde de gronden daarvoor gratis te doen afstaan, namens de Provincie, aan het Rijk of aan concessionnarissen, voor zooverre nog niet afgestaan door of vanwege gemeentebesturen.Op voorstel van mr. J. T. Homan praeciseerde de heer Roelink nader zijn voorstel en werd toen dat voorstel aangenomen, alsnu strekkende, om aan Gedeputeerde Staten op te dragen, om te onderzoeken waarvoor de gronden te krijgen zouden zijn en dan eene buitengewone vergadering te provoceeren, ten einde dan te besluiten over het gratis aanbieden dier gronden.
In de vergadering van Prov. Staten van Drenthe van 6 Nov. 1857 bragt de commissie van de h.h. Oosting, Sluis en Blom haar rapport uit; daaruit bleek, dat de Regering een wetsontwerp had ingediend aan de vertegenwoordiging (zoo even vermeld) , waarin de Drentsche lijn, was aangewezen, zoodat de commissie zich had kunnen bepalen met de zaak aan te bevelen.
Den 2 Augustus en 7 October 1858 had Z. M. concessie gegeven aan de heeren Sloet en Reuchlin (van Arnhem en Tiel) tot aanleg van spoorwegen in het noorden des Rijks.
Daarin was de Drentsche lijn over Assen opgenomen.
Den 14 October 1858 kwam bij de Tweede Kamer van de Regering een wetsontwerp in tot bekrachtiging dier concessie , voor zooverre 's Rijks belang daarin betrokken was.
De leden der Kamer, Strens en cons., wilden de behandeling uitstellen tot inkomst van het wetsontwerp tot bekrachtiging der concessie van den Zuiderspoorweg, opdat dan alles te gelijk zou worden behandeld.
Het lid uit Friesland Dirks stelde voor, ter bespoediging der zaak, dezelve te laten in status quo, opdat de werkzaamheden aan dat wetsontwerp door de sluiting der zitting niet zouden worden gestuit, maar na de opening der zitting konden worden hervat in den stand, waarin ze gevorderd waren.
Het voorstel Strens en consorten werd aangenomen met 47 tegen 17, dat van den heer Dirks werd verworpen met 51 tegen 10 stemmen.
Den 18 October 1858 had er, mede naar aanleiding van het voorstel-Roelink, eene buitengewone vergadering der Provinciale Staten van Drenthe plaats.
Uit de voordragt van Ged. Staten bleek: dat aan het voorstel van den heer Abraham Roelink gevolg was gegeven, maar dat, wegens de concessie Sloet-Reuchler, het niet noodig was dat plan verder uit te voeren.
Gelderland en Overijssel hadden voor den spoorweg, concessie Sloet-Reuchlin, 20 jaar lang aangeboden f 50,0.00. Over Friesland, Groningen en Drenthe was een gelijk bedrag, naar evenredigheid der bevolking, omgeslagen; er had eene bijeenkomst van de Commissarissen des Konings plaats gehad en Drenthe moest in die som 20 jaar lang bijdragen f 7500. Assen had vrijwillig aangenomen daarin f 2000 jaarlijks bij te dragen, maar Meppel had geweigerd de haar opgelegde f 2000 te leveren, alleen aanbiedende 40 jaar lang f 500 te geven, waarop het gemeentebestuur van Hoogeveen vrijwillig die f 2000 aanbood als de lijn Hoogeveen aandeed.
Gedeputeerde Staten stelden daarom voor 20 jaar lang uit de prov. fondsen f 3500 te betalen indien het aanbod van Hoogeveen en het aandoen van die gemeente werd aangenomen en anders f 5500.
Het voorstel van Ged. Staten werd den 18 Oct. 1858 door Prov. Staten aangenomen, nadat de heeren Homan en Pelinck daarop vruchteloos eenige amendementen hadden voorgesteld, welke amendementen echter in de hoofdzaak geene verandering bedoelden.
Assen had nog vooraf eene vruchtelooze poging gedaan om nu met Meppel gelijk te komen.
Den 13, 19 en 22 April 1859 (dan 22 aanvaard) verleende Z. M. aan de heeren J. P. Bredius en J. W. van Sijpesteijn concessie tot aanleg van spoorwegen in het zuiden des Rijks.
Het wetsontwerp kwam den 6 Junij 1859 ter bekrachtiging bij de Tweede Kamer in.
Omdat de tijd zoover gevorderd was kwam de behandeling niet ten einde en werd er geen eindverslag uitgebragt.
De Regering begreep zeer teregt, dat het verstandig zou zijn beide concessiën in één wetsontwerp ter bekrachtiging aan de Kamers voor te dragen.
Den 20 September 1859 kwam zoodanig wetsontwerp bij de Tweede Kamer in, 't welk den 19 Nov 1859 bij de Tweede Kamer werd aangenomen, met 39 tegen 32 stemmen.
Het werd echter den 8 Februarij 1860 bij de Eerste Kamer verworpen met 20 tegen 17 stemmen.
Hiermede lag de zaak weder en het schoone vooruitzigt op de Drentsche lijn; - dit gaf in Drenthe groote teleurstelling.
De concessionarissen van de beide spoorwegnetten legden hun taak neder.
Bij schrijven van 20 October 1859, 3de afd., had de Minister aan 't Prov. Bestuur van Drenthe kennis gegeven, dat de Regering de provinciën en gemeenten in 't noorden des Rijks ontsloeg van de verpligtingen, die zij, op hare uitnoodiging, ter zake van de spoorweg op zich genomen hadden.
Aldus was het jaar 1860 begonnen.
De Regering met de groote meerderheid der natie overtuigd dat particuliere krachten niet vermogten de gewenschte Spoorwegen daar te stellen en dat de Nederlandsche natie spoorwegen moest hebben (al zou ze die van den duivel ontvangen, zoo als een lid van de Kamer zich had uitgedrukt) droeg eindelijk aan de Kamer een wetsontwerp voor om van staatswege in Nederland een spoorwegnet daar te stellen, zoowel in het zuiden als in het noorden: Het wets-ontwerp daartoe kwam bij Tweede Kamer den 24 April 1860 in.
Wederom was daarin de lijn over Drenthe niet opgenomen:
Algemeen was daarover in Drenthe verontwaardiging; na zoovele teleurstellingen had men van de Regering zoodanig voorstel niet verwacht; te Assen en allerwege in Drenthe, zelfs in afgelegen gemeenten, kwamen verenigingen tot stand om daartegen te petitionneeren, te werken en de overtuiging te winnen: zoo ontstond de groote spoorwegvereeniging Drenthe, gevestigd te Assen met vertakkingen en departementen over geheel Drenthe in bijnu alle dorpen.
Voorzitter was mr. P. Hofstede, secretaris H. Boom, penningmeester H. A. M. Brumsteede, verdere bestuursleden mr. J. A. Willinge Gratama, T. Westerdijk, E. A. Smidt en mr. H. van Lier.
Er werd besloten een adres aan den Koning in te dienen: eene commissie van redactie van eenige leden: mr. H. J. Smidt, mr. P. Hofstede, H. Boom, L. Oldenhuis Gratama, C. van Beusekom, H. van Lier werd daartoe benoemd: dat request werd opgemaakt, ingediend en gedrukt rondgedeeld aan de leden der Kamers overal verspreid: het is een stuk voor Drenthe's geschiedenis van blijvende waarde, het onderscheidt zich door een waardigen stijl, door gewigtige beschouwingen en belangrijke statistieke en historische bijdragen.
Ook werd besloten in de couranten zooveel mogelijk artikelen te plaatsen, om het belang van den spoorweg aan te toonen en die overtuiging te winnen, waarvan de uitvoering aan den heer Boom werd opgedragen.
Eindelijk werd eene commissie, bestaande uit de heeren: mrs. P. Hofstede, L. Oldenhuis Gratama en W. A. van der Feltz naar den Haag afgevaardigd om aldaar het verkrijgen van een spoorweg over Drenthe te bevorderen.
Het wets-ontwerp tot daarstelling van staatsspoorwegen was inmiddels in de afdeelingen der 2de Kamer onderzocht: de heer van Heiden Reinestein, lid voor 't kiesdistrict Assen, leverde als bijlage bij 't verslag eene nota in, aandringende op de Drentsche lijn, waarvan de kosten werden opgegeven als geraamd op f 4.600.000; die nota werd gedrukt bij 't voorloopig verslag, waarin ook tevens werd opgenomen de aandrang van verschillende andere leden om de Drentsche lijn, op te nemen, welke aandrang wederom door andere leden was tegengesproken, als oordeelende dat voor Drenthe kanalisatie noodiger en beter was. 3)
De commissie vertrok in 't midden van Mei 1860, na 't verschijnen van 't voorloopig verslag, naar den Haag, sprak met den President-Minister van Hall, tevens Minister van financiën, met den heer van Heemstra, Minister van Binnenlandsche Zaken, met den heer Thorbecke en anderen, die geacht werden voor die overtuiging gewonnen te kunnen worden of dezelve te kunnen bevorderen.
Gedeputeerde Staten provoceerden, alleen voor het spoorwegbelang, eene buitengewone vergadering der Staten op 21 Mei 1860. In die vergadering kwam in een verslag van de commissie uit de spoorwegvereeniging Drenthe, die naar den Haag geweest was, en een verzoek om de zaak te ondersteunen, waarop Gedeputeerde Staten zeer belangrijke concept-adressen aan den Koning en aan de Tweede Kamer ter tafel bragten; die aangenomen en gedrukt verspreid werden, en werden op voorstel van mrs. J. Oosting en H. H. A. Sluis, de heeren J. Oosting, H. Pelinck en H. A. A. Sluis naar 's Hage afgevaardigd, ten einde de spoorwegbelangen van Drenthe te bevorderen, welke commissie zich van hare taak kweet en den 3 en 5 Julij 1860 verslag deed: daaruit blijkt, dat Z. M. gezegd had niet te zullen dulden dat Drenthe werd achteruitgezet, dat de Minister van Binnenlandsche Zaken gezegd had ieder amendement ten voordeele van de Drentsche lijn te zullen overnemen en dat de Minister van Hall eene goede boodschap beloofd maar nog niet gegeven had.
Ben 3 Julij 1860 kwam bij de 2de Kamer in de in Drenthe met zooveel ongeduld verwachte memorie van beantwoording op het voorlopig verslag.
De Regering had, op zooveel aandrang, het ontwerp gewijzigd en de lijn Meppel = Assen - Groningen daarin gebragt, zijnde daaromtrent in art. 3 bepaald: dat daarmede zou worden aangevangen nadat de weg Harlingen Hannoversche grenzen zou zijn voltooid.
Met groote vreugde werd dit berigt in Drenthe begroet. De Regering was in hare memorie van beantwoording kort, wat de motieven betreft; zij gedroeg zich aan de voorstanders van die lijn in 't voorl. verslag en aan de nota van den heer van Heiden.
In 't laatst van Julij had bij de Tweede Kamer de discussie plaats: gespannen was allerwege de verwachting, maar vooral in Drenthe.
Er scheen een zeker wantrouwen te heerschen, dat sommige lijnen eerder dan anderen en andere geheel niet of zeer langzaam zouden worden uitgevoerd: hiervoor was bijzondere aanleiding voor Drenthe in de bepaling van art. 3.
In de vergadering van Prov. Staten van Drenthe werd, op voorstel van Ged. Staten, besloten aan de Tweede Kamer te requestreeren dat de lijn Meppel - Assen - Groningen zou worden opgenomen onder die waarvan art. 3 van het wets-ontwerp bepaalt dat gelijktijdig voor allen met den aanleg zou worden begonnen.
De heer mr. P. v. d. Veen, lid der Kamer voor kiesdistrict Assen, wilde, bij den aanvang der beraadslagingen, eenige verzekering uitlokken dat alle wegen van 't wets-ontwerp zouden worden uitgevoerd en niet eenig deel worden achterwege gelaten; waaromtrent de Minister van Hall antwoord gaf door verwijzing naar 't wets-ontwerp.
Die heer stelde ook een amendement voor om met den Drentschen lijn te beginnen zoodra met den weg Groningen - Harlingen Hannoversche grenzen zou zijn begonnen.
De heer van Heiden Reinestein stelde voor met de Drentsche lijn te beginnen zoodra de weg van Arnhem tot Meppel zou zijn gevorderd en dan te gelijk- de Drentsche en de Friesche lijn te maken.
De beide afgevaardigden trokken deze amendementen in bij de behandeling van art. 2 al 3 (Drentsche lijn)(zeker om de stemming over den weg zelve niet te verwikkelen), de heer van Heiden onder hartelijke dankbetuiging aan allen voor het in de wet brengen van de lijn.
De wet zelf voorzag trouwens in het tijdstip van het beginnen met de lijnen.
Den 21 Julij, bij de discussie over de Drentsche lijn, stelde de heer van Hoëvell, afgevaardigde voor Almelo, voor, de Drentsche lijn uit het wets-ontwerp te doen vervallen; hij drong daarop sterk in eene rede aan.
Daarover ontstond eene discussie: tegen de Drentsche lijn spraken de heeren van Zuilen van Nijevelt en van Nispen van Sevenaer; voor spraken de heeren G. Reinders van Warfum, van Heiden en van der Veen. De heer van Bosse deed nog eenige poging om de vergadering als 't ware te laten kiezen tusschen de Drentsche en de Friesche lijn, maar scheen moeite te hebben om dat te formuleeren, althans de voorzitter bragt zijn denkbeeld niet in behandeling, 't geen er alzoo bij bleef.
Het wets-ontwerp werd den 27 Julij 1860 aangenomen met 49 tegen 23 stemmen. Het wets-ontwerp kwam nu bij de le Kamer in.
In 't voorloopig verslag van 11 Aug. 1860 werd aangevoerd dat tusschen Meppel en Groningen geene plaatsen liggen, van genoeg belang voor eenen spoorweg, dat eene dubbele lijn in 't noorden onnoodig, ja verkeerd was, dat, moge al beweerd zijn (in 't request der spoorwegvereeniging Drenthe) dat het personen-vervoer langs den weg Meppel-Assen-Groningen meer zou zijn, de minst goede van de beide noordelijke lijnen, reeds voldoende zou wezen.
De Regering antwoordde hierop: aanvankelijk de Drentsche lijn, waarvan de kosten begroot waren op f 4,836,375,00 niet te hebben opgenomen, om het oordeel van de noodzakelijkheid aan den tijd over te laten, maar, op aandrang uit Drenthe en van verschillende leden van de 2de Kamer, de questie van tijd beslist te hebben in den zin van het wets-ontwerp, waarin de lijn paste.
Op den 16 en 17 Augustus 1860 had in de le Kamer de beraadslaging plaats.
De heer van Wessem noemde de lijn door Drenthe een bewijs van te groot voordeel voor een door de natuur min bevoorregt gewest.
De heer Fransen van de Putte oordeelde dat de aansluiting van Nijmegen vrij wat minder zou kosten dan de lijn over Drenthe.
De Minister van Heemstra verdedigde de lijn. "Wanneer wij eene lijn van Meppel op Assen gelegd hadden", aldus sprak hij, "dan konden Kampen of Nijmegen, die niets krijgen, klagen, maar nu is het een weg, die Groningen met het zuiden verbindt; dat Assen daarin opgenomen wordt, is bloot een gevolg van zijne ligging tusschen Meppel en Groningen.
Overigens werd de Drentsche lijn in het tweedaagsche debat niet genoemd.
Het wets-ontwerp werd bij de le Kamer den 17 Augustus 186O aangenomen met 34 tegen 5 stemmen.
De wet werd vastgesteld den volgenden dag, den 13 Augustus 1860, en in 't' Staatsblad geplaatst onder no. 49.
De onteigeningswet van de Drentsche lijn is van 14 Sept. 1866 S.B. no. 142 en bevat niets bijzonders.
Bij de spoorwegbegrooting in November 1866 bij de 2de Kamer ingekomen, was de Drentsche lijn onder art. 12 voor memorie uitgetrokken: in de memorie van toelichting, werd aangemerkt dat er, naar den letter van art. 3 der spoorwegwet, mede kon, worden begonnen als de middelen voorhanden waren. In 't voorloopig verslag werd hier tegen aangemerkt, dat de weg Harlingen-Hannoversche grenzen nog niet geheel voltooid was, maar dat de meerderheid der leden van de 2de Kamer zich met het denkbeeld verenigde, dat naar de wet er mede begonnen mogt worden, en dat, als er geld kas, de post niet voor memorie behoefde te zijn uitgetrokken. In de memorie van beantwoording werd nogmaals gezegd, dat voor de Drentsche lijn het uitzigt niet benomen was, dat zelfs het onteigeningswerk werd voorbereid. Den 21 December 1866, bij de openbare beraadslaging bragt de Regering de memorie-post op f 200,000; de heer Fransen van de Putte, lid der Kamer, stelde voor de post tot memorie-post terug te brengen, op grond dat de weinige onkosten wel uit den post voor onvoorziene uitgeven konden worden bestreden. De Minister Heemskerk handhaafde den uitgetrokken post van f 200,000 onder betuiging zijner ingenomenheid met de lijn voor Drenthe en met bewering, dat het naar de wet mogt en om de financiën kon; het amendement van de Putte werd daarop verworpen met 51 tegen 11 stemmen.
foto In Junij 1867 had daaromtrent nog eene opmerkelijke bijzonderheid plaats. Den 12 Feb. 1867 zond de Regering een wetsontwerp in tot verhooging van de in december bevorens vastgestelde spoorwegbegrooting en vroeg zij aan f 200,000 tot overbrugging van 't Hollandsche diep (Moerdijk).
Nu scheen het alsof de tegenstanders van die overbrugging de Drentsche lijn op den voorgrond bragten, om de overbrugging te verhinderen of uit te stellen, althans bleek de meening, dat, het beter was het spoorwegnet te voltooijen, dan het Hollandsch diep te overbruggen, 't geen op 8 à 10 millioen gulden begroot werd.
In 't voorloopig verslag werd op § 3 aangemerkt, dat de in December jl. toegestane f 200,000 de Drentsche lijn niet genoeg zou bespoedigen, daar de onteigeningskosten alleen werden begroot op f 800,000, waarom voorgesteld werd den post van f 200,000 op die som te brengen.
In de memorie van beantwoording zegt, de Regering, dat met de waardering en aankoop der gronden, begroot op f 485,630, zou worden begonnen, dat de raming te gering was, dat er onafgebroken mede zoude worden voortgegaan, maar dat zij, overeenkomstig den wensch der Kamer, de begrooting van f 200,000 nu bragt op f 500,000, 't geen zonder discussie den 7 Junij 1867 werd aangenomen.
Op de Spoorwegbegrooting voor 1868 onder art. 12 (litt. a-x) werd voor de Drentsche lijn uitgetrokken f 1,010,000.
Op die voor 1869 art. 12 (litt. a-x). f 940,000.
Op die voor 1870 art. 11 (litt. a-p) f 70,000.
Alzoo in 't geheel f 2,520,000
Voorts werden, telkens uit art. 5 dier begrootingen, aangewezen de uitgaven voor spoorstaven en toebehooren, dwarsliggers, wissels, draaischijven enz. enz., die het Rijk in voorraad heeft.

De rigting van de ljn tusschen Vries en Haren werd eenigzins veranderd daar de baan ongeveer een kwartier uurs op sommige punten bv. ten noorden van Tinaarlo meer oostwaarts op werd gelegd; het scheen namelijk in aanmerking te komen de baan over Zuidlaren te leggen en ten noorden van Zuidlaren aan de baan Groningen - Hannoversche grenzen te doen aansluiten, 't geen een eind spoor zou uitwinnen, maar 't geen geoordeeld werd niet te mogen, omdat de spoorwegwet spreekt van Groningen, als aansluitingspunt.
Tusschen Pesse en Hoogeveen is de baan digter naar Hoogeveen gebragt dan aanvankelijk en ook vroeger in 't plan Balkema, volgens 't welk de lijn digter langs Ruinen nl. bij Rees zou loopen, het voornemen was: het aandoen van Hoogeveen regtvaardigt zulks.
Ingenieur voor den aanleg des wegs was de heer J. Witsen Elias.
Gemagtigden van Staatswege voor de taxatie der gronden waren de heeren:
Jhr. mr. P. A. G. de Millij te Zuidlaren, voorzitter, mr. J. Oosting en Klaas Timmerman voor Vries en Assen. Mr. A. Vos en W. Tijmes voor Beilen, Hoogeveen en Zuidwolde. Mr. C. L. Kuiphorst en Claas Wildeboer voor Ruinen, de Wijk, Ruinerwold en Meppel.
Het grootste deel der gronden werd door bemiddeling der gemagtigden vrijwillig afgestaan, echter waren er, zooals uit de aard der zaak volgt, onwilligen.
Advocaat voor het Rijk tot de procedures tegen de onwilligen was mr. H. Pelinck te Assen.
Den 6 Augustus 1868 en vervolgens werden aan dezen ter geregtelijke onteigening opgedragen 56 zaken, waarvan 28 voor het uitbrengen der dagvaarding zijn vervallen; de overige 28 zijn afgelopen als volgt: 16 hebben berust, 2 zijn toegetreden voor 't antwoord, een is veroordeeld bij verstek maar later in verzet gekomen en is in deze en in de 9 overigen bij vonnissen der Regtbank van Assen van 17 april 1869 de Staat niet ontvankelijk verklaard met veroordeling in de kosten op grond dat de Staat ten onregte de verpligting tot aardberging en om den sloot half te onderhouden wilde leggen op het niet onteigende deel der gronden, 't geen met den aard eener gedwongene onteigening strijdt.
Den 27 April 1869 werden opnieuw aan deze advocaat deze 10 zaken opgedragen, waarvan 3 door berusting niet tot plaatsopneming hebben aanleiding gegeven: van de overige 7 heeft de Staat 2 gewonnen; in de 5 overigen was de aanbiedings som volgens het gevoelen der Regtbank onvoldoende.
Het spreekt van zelf, dat deze 66 processen de afwerking van den weg tegen hebben gehouden.
In alle gemeenten door de baan doorsneden, waren procedures noodig, vooral in de zuideljke, omdat de tauxateurs van het vak Meppel-Heerenveen hooger schijnen getauxeerd te hebben, waardoor de eigenaren, op wie ook voor dat vak gronden waren onteigend, meenden, dat hunne gronden hier hoogere waarde hadden.
Het volgende staatje opgemaakt naar de gegevens voorhanden in Sept. 1869 geeft een duidelijk overzigt van den loop der onteigening bij aankoop en geregtelijk, invoegen die in alle gemeenten plaats had en is bijzonder merkwaardig om de vergelijkende waarde der gronden, gemiddeld genomen, in alle gemeenten te doen zien.
Tenslotte enige bijzonderheden omtrent den weg zelven, de kosten enz.
Bij de administratie is de weg gemerkt lijn C.
De lengte is: van de aansluiting met den spoorweg bij Meppel tot aan het station Assen 48,234 km.
Van station Assen tot aan de zamenkomst met de lijn Groningen-Winschoten 25,005 km. Totale lengt 73,239 km.
De lengte des spoorwegs tusschen het midden der verschillende stations en halten is:

Meppel-Koekange
8,379 km
Koekange-Hoogeveen
11,443 km
Hoogeveen-Beilen
13,912 km
Beilen-Assen
15,610 km
Assen-Vries
10,705 km
Vries-de Punt
6,343 km
de Punt-Groningen
10,443 km

De onteigende oppervlakte bedraagt ongebouwd volgens de koopacten 258,3857 en geregtelijk 15,0810 en gebouwd volgens de koopacten 0,3954. Totaal 273,8621 hectare.
De baan is breed 10 meter kruin met het oog op een mogelijk dubbel spoor, waarop bij bruggen ook reeds gerekend is: de sporen liggen aan de oostkant. Op de oostelijken berm is ook de telegraaf, zoodat de westelijke helft van de baan geheel vrij is gebleven.
Aan den weg zijn de navolgende stations en halten: te Koekange, een haltegebouw, te Echten een halt, te Hoogeveen een station, te Beilen een haltegebouw, te Hooghalen ene halt, te Assen een station, te Vries een haltegebouw, te de Punt een haltegebouw, te Haren een halt.
De hoogte van de baan is bij 't station Meppel aan Hoogeveensevaart A.P. 2.11 meter, bij 't station Koekange 3,51 meter, bij 't halt Echten 9,51 meter, bij 't station Hoogeveen 12,01 meter, bij 't station Beilen 13,71 meter, bij 't Oranjekanaal 16,01 meter, bij 't halte Halen 18,51 meter, bij 't station Assen 10,51 meter, bij 't halt Vries 7,01 meter, bij 't halt de Punt 3,01 meter, bij 't halt Haren 2,81 meter en bij Groningen 2,31 meter, alles boven A.P. waarboven komt de dikte der ijzeren rails zijnde 13 centimeters; - aanmerkelijke rijzing wordt ten behoeven van de machinisten van de locomotieven, door de hoogtewijzers aangewezen, hoedanige er elf op de baan zijn.
De weg heeft 11 bogten, de 1e bij het begin van de weg aan 't station Meppel; de 2e tusschen de beide wegen van Koekange naar Echten; de 3e en 4e voor en achter het station Hoogeveen; hier volgt een regt eind lang 28,5 kilometer, hoedanig regt spoorend in 't geheele vaderland en welligt in den vreemde niet te vinden is; de 5e ten noorden van 't station Assen; de 6e ten zuiden van Loon; de 7e 700 meter ten zuiden van 't station Vries; de 8e 200 meter ten zuiden van het Punterdiep; de 9e aan 't station de Punt; de 10e bij den weg naar Onnen; de 11e bij Groningen.
De juiste richting der bogten wordt door zogenaamde tangentpuntborden aangewezen, welke aanwijzen de lengte van den straal des boogs en de ontwikkelde lengte van de boog, 't geen geschiedt om die punten niet te verliezen, welke anders door meting ook op de niet onteigende gronden weer moesten worden opgespoord.
In den weg zijn de volgende kunstwerken:
eene vaste brug met een zijbrug over de Brandemasloot;
eene brug over de Koekanger A;
twee bruggen over het Oude Diep;
eene over den Beiler stroom;
eene beweegbare brug over 't Oranjekanaal, doorvaartswijdte 5,77 meter;
eene vaste brug over 't Anreeper diep;
2 vaste onder Assen;
2 poorten voor rijtuigen onder Loon, 500 meter van elkander;
1 vaste brug met 2 openingen over het Punterdiep;
1 vaste brug over de Molensloot onder Essen;
er zijn:
4 dubbele en 41 enkele arbeiderswoningen;
14 wachthuisjes.
Er zijn over den weg 86 publieke en 60 particuliere overwegen en nevens de weg 25 parallelwegen.
Van den weg zijn gemaakt drie bestekken, afzonderlijk uitbesteed en aangenomen als volgt(dit geschiedde om te bespoedigen):
Het 1e, het bestek tot het maken van de aardebaan, aangenomen door H. B. Harkema van Warfhuizen, voor f 529.000,00.
Het 2e het maken van de bovenbouw met de in den weg voorkomende bruggen, aangenomen door de h.h. A. B. van Tienhoven en Co. van Werkendam voor f 748.000,00.
Het 3e het maken de gebouwen en eenige andere werken, aangenomen door J. P. Schaafsma van Harlingen voor f 345.000,00. Te zamen f 1.616.800,00.
Eerst nadat van het in den spoorweg gelegd materieel van dwarsliggers, spoorstaven, wissels, draaischijven enz. eene staat zal zijn opgemaakt, 't geen eerst kan geschieden nadat den weg geheel voltooid is, kan het totaal der kosten tot den weg gevorderd nauwkeurig worden opgegeven; nu kan het, wat deze punten betreft, slechts bij benadering geschieden.
De uitgaven voor de onteigening hebben tot heden bedragen:

koopsommen en schadevergoedingen
f 547.157,29
bijkomende kosten van waarderingen enz.
f 23719,48
nog te betalen voor onteigening
f 3648,55
Totaal
f 574.525,32

De uitgaven voor de werken, behalve die voor spoorstaven, wissels, draaischijven, dwarsliggers, doch met inbegrip van de kosten van toezigt zullen bedragen in het geheel ongeveer f 1.680.000,00.
Derhalve is voor de onteigening en voor de werken het totaal bedrag te rekenen in ronde som op f 2.255.000,00 hetgeen ongeveer uitkomt met de ter begrootingen gebragte boven door mij vermelde sommen.
Voegt men naar schatting hierbij de kosten voor de dwarsliggers, spoorstaven, wissels, draaischijven enz. enz. eene som van f 1.077.375,00 dan wordt de totale uitgaaf voor den spoorweg tusschen Meppel en Groningen over 72,239 kilometers f 3.332.375,00 of f 45.500,00 per kilometer.
De kosten van den weg blijven alzoo beneden de verschillende voorafgegane ramingen boven opgegeven.
Zeer opmerkelijk is het hierbij te vergelijken, de kosten per kilometer van zeven andere vakken van het staatsspoorwegnet, blijken uit het volgende overzicht:

Arnhem - Leeuwarden, lengte 169,268 kilometers.

Arnhem-Zutphen
3.387.881
Brug en rivierenovergang Zutphen
766.456
Zutphen-Deventer
1.499.311
Deventer-Zwolle
2.180.284
Zwolle-Meppel
2.336.848
Meppel-Leeuwarden
5.299.563
Totaal
f 15.470.343
Dat is gemiddeld per kilometer f 91.400


Harlingen - Nieuwe schans, lengte 126,968 kilometers

Harlingen-Leeuwarden
2.021.971
Leeuwarden-Groningen
4.027.280
Groningen-Nieuwe Schans
4.619.552
Totaal
f 10.668.803
Dat is gemiddeld per kilometer f 84.000


Zutphen-Pruisische grens, lengte 59,678 kilometers.

Zutphen-Pruisische grens
5.248.913
Totaal
f 5.248.913
Dat is gemiddeld per kilometer f 87.950


Maastricht - Breda, lengte 179,937 kilometers.

Maastricht-Venlo
5.009.429
Brug te Venlo
523.336
Venlo-Helmond
2.550.792
Helmond-Tilburg
2.764.460
Tilburg-Breda
919.983
Totaal
f 11.768.000
Dat is gemiddeld per kilometer f 65.400


Roosendaal-Goes, lengte 50,824 kilometers.

Roosendaal-Goes
5,391,946
Totaal
f 5.248.913
Dat is gemiddeld per kilometer f 106,000


Breda-Moerdijk, lengte 18,503 kilometers.

Breda-Moerdijk
1.698.736
Totaal
f 1.698.736
Dat is gemiddeld per kilometer f 91.800


Venlo-Pruisische grens (lijn G), lengte 2,998 kilometers.

Venlo-Pruisische grens (lijn G)
367.842
Totaal
f 367.842
Dat is gemiddeld per kilometer f 122.695

Uit dit overzicht blijkt, dat het vak Venlo-Pruisische grenzen het duurste en dat Meppel-Groningen het goedkoopste is.


foto De spoorwegreiziger kan Drenthe niet beoordeelen naar 't geen hij uit den wagon ziet.
De kortste afstand levert niet de voor de ontwikkeling en het gezigt schoonste punten.
Noch Drenthe's schilderachtigste dorpen, onder eikenloof ordeloos verscholen, noch zijn schoonste punten, die zich hier en daar als eene oase uit eene woestijn van heide verheffen, noch zijne belangrijke ontginningen en ontluikende boschcultuur vertoonen zich aan den belangstellenden spoorwegreiziger; geen landschapschilder, geen landeconoom vindt in den trein bevrediging.
Uit het station Meppel gaat de baan oostwaarts op in eene ongeveer evenwijdige rigting met en ten noorden van 't kanaal der Drentsche kanaal-maatschappij, doorsnijdt de met houtomzoomde groen- en bouwlanden en lagchende streken van den Oosterboer en Koekange; ten zuiden van het Drentsche kanaal vertoont zich het schoone de Wijk, ten noorden van de baan Ruinerwold en Ruinen; buiten Koekange neemt de baan eene meer noordelijke rigting, geeft u een voorproef van de Drentsche heide om u over Echten en zijn esch te voeren, het Drentsche kanaal te verlaten en u in de ontgonnen landen en bevallige streken van het Hoogeveen te brengen.
Ten noorden van dat station begint het regte eind van 5 uur: de baan geeft u thans de volle smaak van Drentsche heide; ze voert u in eene groote heidevlakte, die zich tot Beilen uitstrekt. Gij ziet daar heidebranden en plaggensteken voor het schaaphok; gij ziet daar lange rijen bijenkorven; gij ziet daar ijverige heideplukkers met hunne heidemutsen; gij ziet daar talrijke schaapskudden en den schaapherder-wijsgeer met zijnen trouwen hond; hij sleept zorgeloos zijn schaapschop achter zich, leest in den bijbel of breidt zijne kous; zijne overdenkingen klimmen ongestoord van de heide tot het uitspansel; hij is de onfeilbare weerprofeet, de onverbiddelijke oordeelveller; de geijkte theoloog; hij eet rond bij den boer, komt in alle huishoudingen; hij weet alles; hij ziet met minachting neer op het gewoel en de verkeerdheden der groote steden; hij vindt "zoo'n spoorweg een looze prakkesatie, goed voor koopmans en Oostgangers, maar 'n boer mot op ziene deel en in de stal blieven."
Aan de onbelemmerde gezigteinder vertoonen zich, vooral in warme zonnige dagen, de geheimzinnige dwarrelingen en gezigtsbegoochelingen, door de boeren "maartekatten" 4) genoemd, en door den begaafden redacteur van den 'Huisvriend' en den grooten Schiller zoo geestig en zoo heerlijk beschreven en bezongen: gij hebt ruimschoots de gelegenheid, u daarin te verdiepen en allerhande fantastische figuren daarin te ontdekken.
Links ziet gij in de verte Ruinen, Pesse, den Anholt, Nuil, Spier, Dwingeloo, regts Drijber, Manting, Brunting, digterbij Wijster met zijnen kenbaren molen, Holte, Makkum en Lieving. Na dit heidegezigt voert u de baan in de vruchtbare landen van den Beilerstroom; Beilen met zijne oude kerk en toren wenkt u als 't ware tot een levendiger gezigt.
Buiten Beilen betreedt de baan de bouwlanden van den Beiler-esch en het noordveen, overschrijdt het begin van het reusachtige Oranjekanaal, geeft u links Eursinge-Beilen, Hijken, Hoog- en Laaghalen en de oude Landschapskerk, de ronde Smilder koepelkerk, te zien, regts Westerbork, Alting, Klateringe, Zwiggelte; - ten noorden van Halen bereikt zij de eeuwen oude groenlanden van Geelbroek (in de alleroudste charters van 't Asser klooster vermeld), om tusschen de Haar en Anreep door Assen te naderen; regts vertoont zich de toren van Rolde, links Assen met zijne bevallige torentjes en aangename bosschen, reeds in 1685 door Titia Brongersma zoo aardig bezongen en met Thessalisch Tempe vergeleken: - vriendelijk noodigt u tot een bezoek uit de nieuwe ruime toegangsweg; - ten noorden van Assen loopt de baan een tijdlang ten oosten van het Noord-Willemskanaal, laat Loon met zijn onlangs op last van den Commissaris des Konings opgemaakt en omheind Hunnebed regts liggen alsmede Taarlo, Oudemolen en Zeegse, links Peeloo, Rhee, Zeijen en Vries, om u, zeer nabij het gebouw van de halte Zuidlaren-Tinaarloo-Vries, eene verrassing voor te bereiden en u het, eenig ongeschondene beroemde Hunnebed van Tinaarloo, dat weinig meters regts ligt, te aanschouwen te geven: Gij kunt dan door de beweegkracht der XIXe eeuw in gemakkelijke rijtuigen voortbewogen, nadenken over de beweegkracht, die onze voorouders hadden bij en tot het oprigten dier geheimzinnige reusachtige gedenkteekenen der grijze oudheid; gij kunt, u over 't ijzeren spoor voortbewegende, nadenken, hoe zij, zonder ijzer, zich bedienden van steenen wapenen, bijlen, pijlspitsen, kammen, zagen, lepels , werpschijven, enz.
Onder deze en dergelijke overdenkingen verlaat gij deze halte. Buiten hetzelve zijn regts Zuid- en Noordlaren (met zijn Hunnebed), links Eelde, Paterwolde, Oosterbroek, de Punt; de baan overschrijdt thans, het Punterdiep, de grens van Drenthe, en voert u achter Haren door Onnen en Essen door eene aangename en vrolijke streek van de Hondsrug naar 't station Groningen, eenige meters voor dat station zich vereenigende met de baan Harlingen-Hannoversche grenzen.

Ik hoop door deze opgaven uit de handelingen der Ned. Maatschappij ter bevordering van nijverheid, uit de Staats-Courant en Bijbladen, uit de Drentsche Courant, uit de verbalen van 't verhandelde bij de Staten van Drenthe, uit de verslagen van Gedeputeerde Staten en uit andere officiële stukken aan de bedoeling van de redactie der Provinciale Drentsche en Asser Courant te hebben voldaan en wensch dat de met zooveel inspanning verkregene spoorweg voor ons geliefd Drenthe dat nut en die ontwikkeling moge geven, die wij er ons van voorstellen.

's Hage, 9 April 1870. OLDENHUIS GRATAMA

1) Zie die concessie in de Drentsche Courant van 12 Julij 1856 Bijblad.
2) Zie notulen 1856, 3 Julij, blz. 24 volgg.
3) Zie Bijblad bij de Staatscourant blz. 661.
4) Deze benaming komt daarvan daan, dat, die dwarrelingen het eerst in Maart, als de warmte begint, plegen opgemerkt te worden, wanneer ook de Maartscbe katten zich vertonen; bij mindere warmte en eenigen wind kon men in die dwarrelingen somwijlen beesten of katten menen te zien, die achter elkander aan loopen.




HOME