Claerkamperklooster was de eerste Friese abdij

Schiermonnikoog dankt zijn naam aan cisterziënzer monniken

foto Sinds eeuwen is Schiermonnikoog een koopobject geweest, dat van de ene hand over ging in de andere. Totdat het in 1953 tengevolge van de oorloog 1940 - 1945 die notaris B. Bolwijn te Anjum voor de Staat der Nederlanden tot tijdelijk "heer" van het eiland gemaakt had, een nieuwe status verwierf doordat het bezitsrecht van de laatste eigenaar van het eiland, de Duitse graaf Ernst August van Bernstoff - Wehningen, via het Nederlandse Beheersinstituut overging in handen van de Staat der Nederlanden en aan het Rijk der Nederlanden in Europa werd verkocht. Daarmee kwam een einde aan een situatie die eeuwen had gegolden. Reeds vanaf de vroegere middeleeuwen is Schiermonnikoog een buitenbezitting geweest. Aanvankelijk behoorde het aan de monniken van het cisterciënzerklooster Claerkamp bij Rinsumageest. Aan deze schiere of grijze monniken dankt Schiermonnikoog zijn naam.

Overal waar de cisterciënzers verschenen brachten zij stoffelijke welvaart. De lijfeigenschap verdween waar zij zich vestigden. Aan Noord - Oost Duitsland; Denemarken, Zweden en Noorwegen brachten zij de beschaving. Lombardije leerden zij kunstmatige bevloeiing. In Engeland brachten zij door het fokken van schapen de wolindustrie tot hoge bloei. In Nederland waar nog voor 1165 de abdij Claerkamp was tot stand gekomen, binnen een halve eeuw gevolgd door de mannenabdijen Bloemkamp bij Bolsward, het Sint Bernardusklooster te Aduard en het Gerricksklooster Jeruzalem, alsmede de vrouwenabdijen Sion bij Nijawier en Genezareth bij Ferwerd - beide afgebroken in 1580 - waren het de cisterciënzers die als eersten de strijd aanbonden tegen de zee, waardoor duizenden hectaren vette klei in Groningen, Friesland, Noord Holland en Zeeland werden ingepolderd. De abdijen te Aduard en Mariënkamp maakten een begin met het turfsteken, Groot waren hun successen op landbouwkundig gebied. Maar ook de wetenschap en de kunst werden beoefend.
Uit de eerste eeuw van het bestaan der orde zijn rond honderd schrijvers bekend en van haar kunstzin legt een reeks schone dorpskerkjes in Groningen en Friesland nog steeds getuigenis af. In het midden van de veertiende eeuw wordt een duidelijke vermindering aan betekenis der orde merkbaar. Door allerlei oorzaken distantieerden zich personen, stichten en landen van het katholieke geloof en tenslotte bleef er van de vierendertig Noord-Nederlandse cisterciënzerkloosters slechts één over, de Munster abdij te Roermond. De orde der cisterciënzers werd daarna hervormd tot die der trappisten, gesticht door Jean Armand le Bouthillier de Rancé en ontstaan op 14 juli 1664. Uit de door de trappisten gestichte kloosters ontstonden drie congregaties, die zich op verlangen van paus Leo XIII in 1892 aaneensloten tot de autonome orde der hervormde cisterciënzers. Van toen af had de naam trappisten officieel afgedaan.

Invloed

Het eerste Friese klooster, dat enkele jaren voor 1163 ook als eerste Nederlandse klooster werd gesticht, het klooster Claerkamp, gelegen in de nabijheid van het tegenwoordige dorp Sibrandahuis, kwam, naar mag worden aangenomen, tot stand toen Bernard van Clairvaux, die in 1113 met twintig gezellen tot de orde was toegetreden, mede waardoor zij tot grote bloei kwam, onder de Friezen de kruistocht had gepredikt. Het maakte een diepe indruk op hen en zij zullen hem stellig gesmeekt hebben enigen zijner monniken naar Friesland te zenden. Hetgeen geschied is. Zo trokken de Franse monniken naar Friesland om er een klooster te stichten, dat zij ter herinnering aan Clairvaux (Clarus Valis) de naam Clarus Campus of Claerkamp gaven. Aangezien er maar weinig oorkonden zijn die over Claerkamp handelen en de wetenschappelijke wereld over dit klooster, als van sommige andere kloosters, geen kroniek kent, is door gebrek aan bronnen niet te zeggen in hoeverre er waarheid schuilt in het schone verhaal dat de vrome rijke en machtige weduwe Clara van Rinsumageest, haar goederen aan de kloosterlingen zou hebben geschonken. Tot achter Dokkum aan de ene tot Franeker - waar het Claerkampster weeshuis is gevestigd - aan de andere kant reikte de invloed van het klooster. Van zijn bouwgeschiedenis is nagenoeg niets definitief bekend.
Het klooster mocht zich zeer in de gunst van de Friezen verheugen. Niet alleen, maar ook de goederen stroomden de nieuwe stichting toe, die weldra tot een der grootste landbezitsters van Friesland werd. Vijfduizend pondemaat land mocht het klooster zijn eigendom noemen. Zijn abten verkregen het primaat onder de Friese prelaten. Zij resideerden te Claerkamp in een groot met drie grachten omgeven gebouwencomplex. Uithoven waren er te Nes Westdongeradeel, te Zandhuizen, te Schiermonnikoog, te Jelsum en te Veenwouden. Ook had de abt een vast verblijf te Leeuwarden waar hij vertoefde als staats- of kerkelijke zaken zijn tegenwoordigheid in de Friese hoofdstad vereisten.
Het klooster Claerkamp heeft voor de ontwikkeling van Friesland zeer veel gedaan en ondanks het feit dat, zoals oude oorkonden verhalen, niet altijd van een deugdzaam leven van alle kloosterbroeders kon worden getuigd, stond het Claerkamper klooster in Friesland tot het laatst in hoog aanzien.

Respect

De Friese bevolking had respect voor de kloosterlingen. "Der is nin klirk sa krol as de Claerkampster krolhierede klirk, alle klirken is hy te krol", zegt een Fries gezegde, dat is "Er is geen geestelijke zo slim als de Claerkampster geestelijke met het krulhaar, alle geestelijken is hij te slim".
De laatste abt van het klooster was abt Gerrit Jacobs van Leeuwarden, Gerardus Jacobi Leovardienus ( 15 juli 1570 - 18 augustus 1578), volgens anderen Gerardus Agricola de voornaamste stichter van het weeshuis te Franeker, die, toen de abt van Norimond in de tweede helft van de zestiende eeuw een visitatiereis door Noord Nederland maakte en ter gelegenheid daarvan ook het klooster Claerkamp bezocht, commissaris werd in alle cisterciënzerkloosters, gelegen in de bisdommen Munster, Utrecht, Deventer, Groningen en Westfalen.
In 1580 echter door het edict der Friese Staten, waarin abt Gerrit Jacobs in 1578 nog als Gedeputeerde zitting had en bij welk edict de katholieke godsdienst in Friesland werd afgeschaft, brak de roemrijke geschiedenis van het klooster Claerkamp af. De bewoners van de abdij moesten het verlaten en naar het buitenland de vlucht nemen. De roerende bezittingen werden verkocht en de onroerende goederen kwamen in andere handen. Van de eens beroemde abdij bleef een boerderij over, die tenslotte verbrandde, waarna nog slechts een terp, waarop het kloosterdorp gebouwd werd, de plaats aangaf van een instelling die voor de Friese geschiedenis van groot belang is geweest.
Op initiatief van het Fries Genootschap van geschied-, oudheid- en taalkunde werd deze terp onder leiding van professor dr. A. E. van Giffen, hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Groningen, onderzocht.

Herinneringen

In de gemeente Dantumadeel zijn aan de Friese kloostertijd nog vele herinneringen bewaard gebleven. In Rinsumageest bevindt zich een tufstenen kerk met dubbel schip en crypt uit die tijd. Het is een van de meest bekende kerken van Friesland waarin de kaarsrechte zuilen van de crypt zouden zijn gebouwd van aanzetsteen van het aquaduct langs de Via Appia te Rome. Maar er is meer wat belangrijk is. De oude bakstenen kerkjes in de langs de Ee gelegen dorpjes Sybrandahuis en Janum zijn overblijfselen uit dezelfde tijd.
Het centrum van het oudtijds heilige land van Claercamp is geweest de thans als museum voor middeleeuwse kerkelijke Friese kunst ingerichte kapel van het hooggelegen terpdorp Janum. Midden in het waterrijke land staat het voorbeeldig gerestaureerde gebouwtje met sarcofaagdeksels en zwerfstenen op een kerkhof. Iets mooiers kan men zich naar het oordeel der deskundigen, niet denken. Men vindt er tal van kostbare herinneringen aan de Friese kloostertijd en zeer veel belangrijke architectonische details. Het belangrijkst zijn er de oude grijze tufstenen die uyti Duitsland via Deventer werden aangevoerd en vooral de in alle scharkeringen van rood, chromaatgeel en roestbruin voorkomende Friese kloostermoppen die in een tichelbakkerij, die bij elk klooster behoorde, door de broeders werden gemaakt uit de aarde waarop zij leefden en streefden voor God en de mensen.

Veldarbeid

Behalve met bidden en studeren brachten de Claerkamper monniken hun dagen door met het arbeiden op het veld. Zij ontgonnen de grond in een steeds wijdere kring rond hun klooster en stichtten er op hooggelegen terpen kapellen. Zij staken de turf in het veen ten zuiden van Bergum en eigenden zich omstreeks 1300 gebouwde Schierstins te Veenwouden toe als zomerverblijf voor hun abten, nadat zij de verblijfplaats was geweest voor de kloosterlingen die toezicht moesten houden op de grote veenderijen. Het voorwerk was tot een sterkte gemaakt, waar de bewoners van Claerkamp in tijden van nood en gevaar een veilige schuilplaats vonden en waar zij hun heiligdommen en kostbaarheden konden opbergen. Zij konden de stins bereiken langs de schiersloot, een door ontoegankelijke venen lopend vaarwater. De overlevering vertelt dat er bovendien een onderaardse gang van het klooster naar de stins liep. Behalve op hetgeen hiervoor genoemd werd als herinnering aan de tijd der Claerkampers mag ook nog worden gewezen op de plaats waar de monniken hun winterbrand haalden uit de onlanden nabij het goddeloos Tolhuis.
Doch volgens professor van Giffen is het verhaal betreffende de eerste vestiging der grijze monniken te Claerkamp, een authentieke brief van abt Bruno van Riddagshausen aan de broeders van Claerkamp ten spijt, zeer onwaarschijnlijk, ofschoon hij geneigd is aan de brief waarde te hechten, omdat het grondplan van de Riddagshauser kerk gelijkt op dat van de kerk te Claerkamp.

Voor ondergang behoed

Bijna geen dorp in de zeer ruime omgeving van de Bonifaciusstad Dokkum of het heeft een kerk, die het oude licht van Claerkamp uitstraalt. Door restauratie heeft men getracht ze voor de ondergang te behoeden. Hoe zorgvuldig dat wel zeer belangrijke werk geschiedt toont de voortreffelijk gerestaureerde kerktoren van Dantumawoude. En tenslotte mag vanwege zijn herinneringen aan de Friese kloostertij niet onvermeld worden gelaten het Friese museum te Leeuwarden, dat behalve een kostbare collectie kloosterceramiek, ook een uit de veertiende eeuw afkomstige grafzerk uit de kerk van Rinsumageest bevat, waarop de bekoorlijke jongeling Eppo van Tjaarda is afgebeeld, gekleed in een antieke tunica en met een jachtgeweer gewapend.
In het hoge Noorden van Friesland, op het tegenwoordige eiland Schiermonnikoog, waar zij zich hadden gevestigd, bouwden de monniken van het klooster Claerkamp een bedehuis. De rol welke de naar de kleur van hun pij geheten grijze of schiere monniken op eht eiland gespeeld hebben, spreekt het duidelijkst uit het eilandse wapen, zoals dat voorkomt in het in de stadsbibliotheek van Leeuwarden, aanwezige wapenboek van Gerrit Husman. Daarop toch is een naar links blikkende monnik afgebeeld die de rozenkrans om de linkerpols heeft hangen en die met zijn voet een spade in de grond drukt. Als ontginners en bedijkers hebben de monniken hun naam aan het eiland verbonden.

Schiermonnikoog

foto In welk jaar de Claerkamper monniken naar het eiland Schiermonnikoog zijn overgestoken is niet bekend, maar zij moeten het vele jaren voor 1465 hebben gedaan omdat het, als de bisschop van Utrecht het eiland in dat jaar tot parochie verheft, al sinds "mensenheugenis" in volle eigendom aan het klooster moet hebben toebehoord.
In datzelfde jaar bezat het op het eiland een hof met bijbehorende kapel en begraafplaats. Aangezien de kapel geen doopvont bezat en zij te ver van de andere Friese kerken verwijderd was, werd de kapel tot parochiekerk verheven. Uit dit feit mag weer worden afgeleid dat er reeds toen zoveel personen op het eiland woonden, dat het stichten van een parochiekerk verantwoord was.
Enkele jaren daarvoor in 1440 had hertog Philips van Bourgondië, het toen aan Dominicus abt van het klooster Claerkamp te Rinsum toebehorende eiland genoemd Werner oghe, anders geheten Schiermonnik oghe, in bescherming genomen. Daarna komt de naam Werner oghe niet meer voor en blijft het eiland de naam dragen der Schiere monniken.
Tot het jaar 1580 bleef het eiland hun eigendom in dat jaar werden de Friese kloostergoederen in bezit genomen ren tot provinciaal eigendom verklaard.
Schiermonnikoog onderging dit lot mede, waardoor de Claerkamper tijd voor het eiland had afgedaan. Op Schiermonnikoog van thans herinnert echter niets meer aan de grote tijd der Claerkampers. Een katholieke parochie ie er al lange jaren niet meer. Er is, doch slechts ten behoeve van de badgasten een aan Sint Egbert gewijd kerkje gebouwd aan de Badweg en ten behoeve van de katholieke bleekneusjes een rooms-katholiek vakantiehuis in het dorp ingericht.
De eilanders hebben als geheel de zijde der reformatie gekozen die ene belangrijke factor in hun leven is geworden.


HOME